ook voor de eerste zondag na Trinitatis  bwv 75 die Elenden sollen essen

bwv 39 bring den Hungrigen dein Brot


 

“We zijn in het jaar 2000 en het is opnieuw een Bach-jaar want de grote componist is inmiddels 250 jaar dood. John Eliot Gardiner onderneemt in dit jaar een pelgrimstocht langs kerken in Europa en Amerika om daar alle cantates uit te voeren op de zon- en feestdagen waarvoor ze zijn gecomponeerd. Wie er een sabbatical year voor overheeft kan hem volgen en voor de thuisblijvers wordt het hele project op cd-vastgelegd. Althans, dat is de bedoeling. De malaise in de cd-industrie - ook bij Archiv - zorgt ervoor dat vele opnames op de plank blijven liggen. Gardiner besluit, in navolging van Ton Koopman om een eigen cd-label te beginnen. De uitvoeringen op deel I, opgenomen in Londen, tonen meteen al aan dat deze opnames een belangrijke aanvulling zijn op de al dan niet complete opnames die er al zijn. Gardiner benadrukt het dramatische aspect van de cantates, meer dan wie ook, en hij doet weinig concessies aan ingeslepen gewoontes met betrekking tot tempo en articulatie. Iedere cantate wordt behandelt als een klein operaatje met eigen dramatische wetten. In cantate BWV 20 wordt volop hel en verdoemenis gepredikt, het klinkt uiterst grimmig. Solisten, koor en orkest zijn van topniveau, al kent de bas Dietrich Henschel wat mindere momenten.” 

Tot zover een recensie van Marcel Bijlo in Luister. En Gardiner, het moet gezegd, is inderdaad wonderschoon. Maar persoonlijk vind ik dat er ook veel te zeggen is voor de uitvoering van Rilling. Hij neemt veel meer tijd, de opening en ook de aria’s zijn hier zowat 2 minuten langer. En dat geeft veel meer donkere, sombere kleuren aan het geheel en de ernstig bedoelde bas-aria ‘Gott ist gerecht’ verwordt hier niet tot het ‘aanstellerige’ dansje wat het bij Gardiner is. Maarten 't Hart meldt ons dan ook dat die aria in deze uitvoering opeens ‘oplicht als een beeldschoon stuk’. Maar deze keer is zowaar ook Harnoncourt de moeite waard, met name in het duet. Toch nog even terug naar Gardiner want daar horen we in dat duet opeens een wonderschoon, ingehouden effect wat in de andere uitvoeringen niet zo uitgelicht wordt. Mooi! Drama! Weg van alle ingeslepen gewoontes!

BWV 20 is de eerste koraalcantate van Bach's tweede cantatecyclus en wordt voor 't eerst uitgevoerd op 11 juni 1724 in de Thomaskerk te Leipzig. Het is de eerste zondag na Trinitatis, Bach is op dit moment precies één jaar werkzaam als Thomaskantor. Hij heeft volgens plan elke zon- en feestdag een zelf gecomponeerde cantate uitgevoerd, soms gebruik makend van eerder in Weimar geschreven cantates. Als hij nu voor de tweede keer een cantate moet schrijven voor die eerste zondag na Trinitatis legt hij de lat een stukje hoger: zijn tweede jaargang cantates, meer dan twintig uur muziek, moet een samenhangend kunstwerk worden. Voor elk van de 65 zon- en feestdagen van het kerkelijk jaar zal hij een cantate componeren die is gebaseerd op één van de voor die zondag voorgeschreven kerkliederen (koralen); en wel volgens een vast bouwplan. De eerste strofe van het kerklied dient ongewijzigd als tekst voor een koraalfantasie (ter opening) en de laatste strofe wordt een simpel vierstemmig slotkoraal als besluit van de cantate. De tussenliggende coupletten worden herdicht tot aria's en recitatieven. In die inleidende koraalfantasie zal steeds de koraalmelodie in lange noten klinken (de z.g. cantus firmus), versierd door de instrumenten en overige stemmen. Bach gaat nu ook experimenteren met het toedelen van de cantus firmus aan de verschillende stemmen - zie de beschrijving bij BWV 2 - waarbij in deze cantate de eer toekomt aan de sopranen. 

Cantate 20 bestaat uit twee delen, respectievelijk uit te voeren voor en na de preek. De evangelietekst voor deze zondag is Lucas 16: 19-31, de parabel van de rijke man die op aarde Christus niet herkent in de arme Lazarus maar deze, zuchtend onder eeuwigdurende kwellingen in het dodenrijk om hulp smeekt. Bij dit thema past het kerklied van Johann Rist op een melodie van Johann Schop ‘O Ewigkeit, du Donnerwort’. De tekst spreekt van de eeuwigheid als een dreigend schrikbeeld voor de verdoemden, de gelovigen worden gemaand het tijdelijk lijden hier op aarde te verkiezen boven eeuwige pijn in ‘t hiernamaals. In het duet wordt een directe link met de parabel gelegd nl. waar de tekstschrijver zegt 

'Ach spiegle dich am reichen Mann....

Wil Bach een feestelijk karakter aan deze cantate geven nu hij precies een jaar als Thomascantor werkzaam is? Mogelijk. Het openingskoor neemt de vorm van een Franse ouverture aan. Een majesteitelijke muzikale vorm is dat, het is de deftige en pathetische opening van Franse hofconcerten waarop de koning pleegt binnen te schrijden en die Bach wel vaker gebruikt op saillante momenten in zijn oeuvre. Maar de combinatie van de ouverture met koraalmuziek is, laten we maar zeggen ‘een uitdaging’. Immers, het dwingt Bach om twee verschillende muzikale structuren met elkaar te verenigen:

• de AAB-struktuur van het koraal: de eerste drie regels (A) worden herhaald, gevolgd door een enkelvoudig Abgesang van twee regels (B).

• de ABA-struktuur van de ouverture: het gedragen eerste deel met zijn overgepunkteerde ritme in 4/4-maat (A) wordt herhaald na het snelle polyfone middendeel in 3/4-maat (B) 

Zo krijgen muzikaal identieke koraalgedeelten een totaal verschillende instrumentale begeleiding, terwijl de twee identieke stukken instrumentale muziek (het begin en het eind van de ouverture) verschillende koraalpassages moeten ondersteunen. Eenvoudig is het niet.

De teksten van nu volgende recitatieven en aria’s worden, zoals gezegd, door Bach’s librettist niet letterlijk gevolgd. Wat hij wel doet is delen van de koraaltekst overnemen in zijn eigen tekst, dat levert steeds kleine ‘Aha-Erlebnisse’ op voor de luisteraar, bijvoorbeeld aan het begin van het nu volgende recitatief. 

‘Kein Unglück ist in aller Welt’

Er volgt nu een weinig geruststellende tenor-aria (3) gevolgd door een niet minder grimmige boodschap in het reciatief van de bas (4) met zeer doeltreffende muzikale illustraties op woorden als Ewigkeit’, ‘Flammen’, en ‘Pein’. Een wat luchtiger toonzetting heeft de daarop volgende aria met begeleiding van de drie hobo's en daar is ook alle reden toe want hier worden we attent gemaakt op de mogelijkheid tot bekering 

‘bedenke dies, o Menschenkind’

De alt gaat in de nu volgende aria (6) door op die oproep tot bekering, het klinkt dreigend tegen dat sombere decor van de strijkers. Het eerste deel van de cantate eindigt dan met een koraal (7) wat identiek is aan latere slotkoraal (11). 

Na de preek mag iedereen weer even rechtop gaan zitten bij de trompetsignalen van de bas-aria (8).

‘Wacht auf!’ 

Op dit moment zal een ieder toch even denken aan het einde der tijden; bazuinen wekken ons uit het graf, hier klinkt  Gods laatste oordeel. Nogmaals mag de alt ons waarschuwen (9) om vervolgens in een duet met de tenor (10) tot bekering op te roepen. Zij verwijzen naar de rijke man die - dat weten we uit de evangelietekst - in het hellevuur de arme Lazarus om een druppel water smeekt. Er is geween en er is gekners van tanden (‘Heulen en Zähnklappern’) en dat wordt met veel chromatiek en schurende harmonieën voor ons geschetst.

‘O Menschenkind’



 


Bronnen: Marcel Bijlo/Eduard van Hengel. Lees hier een artikel over koraalcantates op de web-site van Eduard. 

 

 

 

 









ga verder naar cantate 2 >>