een andere cantate voor de tweede zondag na Trinitatis
bwv 76 die Himmel Erzählen die Ehre Gottes
Deze cantate is het tweede werk geschreven in het koraalcantatejaar 1724 en volgt chronologisch op BWV 20. Na BWV 2 volgen 7 en 135. De Bach Werke Verzeignis baseert zich op de oude indeling van het Bach-Geselschaft en niet op de ontstaansperiode. Daarom is het belangrijk op deze plaats de ontstaansvolgorde aan te geven want het is juist interessant hoe Bach in zijn eerste koraalcantates experimenteert met de cantus firmus (de hoofdmelodie van het koraal). Hij geeft deze cantus firmus beurtelings aan de vier koorpartijen, te beginnen aan de sopranen in BWV 20. In BWV 2 krijgen de alten haar toebedeelt, in BWV 7 de tenoren en in BWV 135 de bassen.
De opening is een koraalmotet waarin elke regel uit de hymne in een fuga verwerkt wordt. De oorspronkelijke melodie van de hymne wordt na op deze manier verwerkt te zijn in lange noten verklankt door de alten (deze zingen dus de cantus firmus). De voortdurende groei van elke zin van de hymne tot z'n volledige lengte verleent dit openingskoor z'n karakteristiek dynamisch patroon.
De recitatieven van deze cantate bereiken regelmatig de kwaliteit en het karakter van een arioso, vooral in de koraal-gerelateerde regels van de tekst. Als contrast met het zeer strikte patroon van de opening worden de aria's gekenmerkt door een meer 'moderne' stijl zoals de concertante schrijfstijl met een obligate soloviool in de eerste aria en het in deze tijd in zwang zijnde akkoord-achtige karakter van de als een dansstuk gecomponeerde tweede aria. Het slotkoraal is weer in de simpele schrijfstijl die we steeds zullen tegenkomen in koraalcantates met daarbij een instrumentale versterking.
Het duurt lang voor ik deze cantate enigszins kan waarderen. De eerste aria heeft qua melodie nog wel een zekere schoonheid, maar de cantate blijft wel heel lang in mineur. Als dan uiteindelijk de tenor met een lange dramatischa aria komt is dat toch iets te laat. De aanschaf van de Kruidvat-versie van deze cantate geeft wel een wending aan het geheel. De cantate blijkt nu allengs mooier te worden naarmate het einde nadert. Deze Kruidvat-box, vol. 12, schaf ik aan direkt na het optreden van Nico van der Meel bij het koor waar ik in deze tijd bij zing, het Bach Collegium Breda. Enthousiasme over Nico! Helaas komt hij niet zo vaak aan bod in deze cantates. En als hij aan bod komt valt hij wat tegen op cd in de diverse prachtige arias, b.v. in BWV 62. Alles is hier even amateuristisch, de uitvoerenden zijn merkbaar opgelucht als ze de eindstreep halen. Maar deze BWV 2 komt bij uitgerekend dit simpele ensemble (zonder Nico) onverwachts goed uit de verf.