Deze cantate is anders maar waarom? We moeten maar weer eens te rade bij Wikipedia om kennis te maken met de vrouw die hierbij van doorslagggevende betekenis is geweest, zij het hiervan niet bewust, immers na haar dood. 



Christiane Eberhardine von Brandenburg-Bayreuth (Bayreuth, 19 december 1671 - Pretzsch, 5 september 1727) was keurvorstin van Saksen. Christiane Eberhardine was een dochter van markgraaf Christiaan Ernst van Brandenburg-Bayreuth. Zij trouwde op 10 januari 1693 met Frederik August I (August de Sterke). Om koning van Polen te kunnen worden, bekeerde Frederik August I zich tot het katholicisme. Christiane Eberhardine weigerde echter het lutheraanse geloof los te laten en ging niet met haar man mee naar Dresden. In plaats daarvan verbleef ze in een soort vrijwillige ballingschap in Pretzsch aan de Elbe, hoewel ze voor officiële gelegenheden nog wel naar Dresden kwam. Christiane Eberhardine en Frederik August hadden één zoon; August, bijgenaamd de Sakser of de Dikke.


Haar weigering zich te laten bekeren tot het katholieke geloof, leverde haar in Saksen grote populariteit op. Toen Christiane Eberhardine in september 1727 overleed, was een officiële kerkelijke herdenking in Leipzig niet mogelijk, omdat het koningshuis formeel katholiek was. Bij wijze van uitzondering kreeg de student Hans Carl von Kirchbach koninklijke toestemming een herdenking te organiseren in de universiteit van Leipzig. Von Kirchbach vroeg vroeg voor deze gelegenheid Johann Sebastian Bach (voor de muziek) en de toen nog jonge dichter en filosoof Johann Christoph Gottsched (voor de teksten). Zo ontstond de cantate 'Laß Fürstin, laß noch einen Strahl'.



 


En wat zegt Wikipedia (nu we daar toch zijn) over deze cantate?

 

'Laß Fürstin, laß noch einen Strahl' of 'Trauerode' (BWV 198) is een wereldlijke cantate geschreven door Johann Sebastian Bach. Bach gaf de cantate zelf de titel 'Tombeau de Sa Majesté la Reine de Pologne'. De cantate werd uitgevoerd op 17 oktober 1727 in de St. Paulikirche, de kerk behorende bij de universiteit van Leipzig. Bach had een groot orkest tot zijn beschikking. Het orkest was voor cantatebegrippen zelfs uitzonderlijk groot. Naast de 'traditionele' bezetting (violen, altviolen, fluiten, klavecimbel, hobo's, basso continuo, een koor en solisten), spelen in deze cantate ook traverso's, hobo's d'amore, viola's da gamba en luiten mee.

 

De cantate bestaat uit twee delen. Het eerste deel gaat over de dood, het tweede deel over het eeuwige leven. Het tweede deel is dan ook aanmerkelijk vrolijker van aard. Tussen beide delen in werd tijdens de plechtigheid een rede uitgesproken door Von Kirchbach. De tekst van Gottsched bestond oorspronkelijk uit negen strofen van elk acht regels. Omdat Bach hier muzikaal niets mee kon, herschikte Bach te teksten: vijf van de negen coupletten werden in tweeën gehakt, waarna sommige delen weer met anderen werden samengevoegd. Uiteindelijk ontstonden er tien coupletten, die -zoals gebruikelijk in veel van Bachs cantates- muzikaal werden vertaald in recitativen, koren en aria's. Opmerkelijk is dat het knippen en plakken van de tekst door Bach vooral in het begin van de cantate plaatsvindt: aan het einde zijn de strofen ongewijzigd overgenomen. Mogelijk dat Bach hier in tijdnood gekomen is en de tekst verder zo gelaten heeft.

 

De uitvoering was een succes. Een beschrijving is terug te vinden in "Das thränende Leipzig" van Christoph Ernst Sicul: 

 

"In een plechtige optocht, terwijl de klokken luidden, liepen de notabelen van de stad en de rector en professoren van de universiteit de St. Paulikirche binnen, waar al vele anderen aanwezig waren: edelen -niet alleen uit Saksen maar ook buitenlandse predikanten, rechters en andere hoogwaardigheidsbekleders, samen met veel vrouwen. Nadat iedereen plaatsgenomen had, werd er een prelude gespeeld door het orgel, waarna de Trauer-Ode geschreven door Johann Christoph Gottsched, lid van het Collegium Marianum werd uitgedeeld onder de aanwezigen door de onderkosters. Korte tijd later was ook de rouwmuziek te horen, die gecomponeerd was door Kapellmeister Johann Sebastian Bach in Italiaanse stijl, met klavecimbel, die door Bach zelf bespeeld werd, maar ook met orgel, viola's da gamba, luiten, violen, blokfluiten en traverso's. De helft van de muziek was te horen voor en de helft na het uitspreken van de prijs- en rouwrede."



Aldus Wikipedia. Het blijft toch bijzonder hoe aangeleverde teksten in hoge mate bepalend kunnen zijn voor de uiteindelijke verschijningsvorm van Bach's cantates. Normaal pleegt hij zijn teksten te betrekken bij de gelegenheids-dichter Picander maar nu voorziet de vooraanstaande voorvechter van de vroeg-Duitse Verlichting, Gottsched, hem van één van de beste teksten die Bach ooit onder ogen komt. En dan moet Bach constateren dat hem voor wat hier wordt gepresenteerd geen enkel muzikaal equivalent ter beschikking staat. Hij moet zichzelf opnieuw uitvinden. En hij kiest dan voor een uitzonderlijk grote en opvallend frans aandoende bezetting. En hij kiest voor drie koren, elk op een verschillend muzikaal principe gebaseerd. Het introductiekoor correspondeert met de vorm van een concerto, het centrale koor is in fuga-stijl gecomponeerd en het slotdeel (nu eens een keer geen koraal) is een 'kooraria' die sterke gelijkenis vertoond met de liedvorm.


Of Gottsched ingenomen is met het resultaat (het maltraiteren m.n. van zijn teksten) blijft echter de vraag. Hij heeft hierna zijn ode nooit meer gepubliceerd.


Maarten ‘t Hart ziet in cantate 198 net als in 104 zo'n buitengewoon kunstwerk waarin van begin tot het eind eenzelfde sfeer gehandhaaft blijft. Een sublieme, wonderbaarlijke Trauer-ode, met een uiterst aangrijpend, smartelijk beginkoor, sfeervolle aria's, sublieme recitatieven ('Der Glocken bebendes Getön') en een betoverend mooi slotkoor, terwijl ook het motet-achtige strenge koor dat het eerste deel van de Trauerode besluit aangrijpend blijkt. Bach hergebruikt de muziek uit deze cantate in de verloren gegane (en daardoor onlangs reconstrueerbaar gebleken) Markus-Passion uit 1731. De BWV-catalogus nummert deze treurmuziek, bij toeval maar terecht, op de grens tussen wereldlijke en geestelijke cantates. De verlichter Gottsched is zeker geen religieus dichter maar gebruikt wel christelijke noties zoals het eeuwig leven, de oud-testamentische ideale stad Salem, en de troon ‘des Lammes’ (Christus).


'Eindelijk een vrouw!' dacht ik bij het aanhoren van de Leonhardt-versie. Het blijkt Rene Jacobs te zijn die wij hier horen. Zijn recitatief is zo kort maar bijna hallucinerend mooi en vervreemdend. De daaropvolgende aria is vooral door die prachtige, intieme begeleiding zo mogelijk nog bijzonderder. Dat geld ook voor de Rilling uitvoering waar ook de solisten werkelijk prachtig zijn, de sopraan, maar vooral toch de alt. Die luit maakt het heel ongewoon, 'heerlijke muziek'. Ook is er een versie o.l.v. John Eliot Gardiner, voor één keer vind ik hem hier wat minder. Komt dat door alt Michael Chance? Er is ook nog een versie door Concerto Amsterdam, uit de oude doos dus. De tenor-aria heb ik ook gezongen door Ian Bostridge en enkele sopraan-aria's komen voor op een Magdalena Kozená CD.


En op 27 maart 2011 horen we de cantate live in de Lutherse Kerk te Amsterdam. Nog enkele keren kunnen we genieten van Robert Buckland, Lucas van Helsdingen, David Greco (foto), kortom van barokensemble 'De Swaen'. Daarna is het Schluss.










 naar cantate 195 >>  de cantates de cantates de cantates de cantates de cant