Opnieuw een bruiloftscantate, zoals BWV 195 en 196. En ook deze stamt weer uit Bach’s latere periode, mogelijk pas uit 1740. Het is een parodie, dat wil zeggen dat het werk gebaseerd is op een eerder geschreven cantate. En als altijd wanneer Bach muziek uit eerder werk opnieuw gebruikt kan de link tussen muziek en tekst alleen maar heel algemeen zijn.


In dit geval is de originele versie geschreven voor de eerste Kerstdag, waarschijnlijk van het jaar 1728. Er resteert van die originele cantate slechts een fragment. In 1728 experimenteert Bach al met de galante stijl en dat is merkbaar in deze cantate. Wikipedia over deze stijlvorm.





De galante stijl is een muzikale stijlrichting uit de overgangstijd tussen de barokperiode en de classicistische periode in de jaren tussen ongeveer 1740 en 1780. Tezamen met de empfindsame stijl vormt deze periode de muzikale rococo. Kenmerken van de galante stijl zijn:

 

• Kleine vormen

• Veel motiefherhalingen

• De melodie, die veelal zangerig is, is belangrijk

• Spaarzame en eenvoudige harmonieën in de begeleiding

 

In de galante stijl wordt het esthetisch ideaal van die tijd weerspiegeld, waarin sierlijkheid, bekoorlijkheid, begrijpelijkheid en natuurlijkheid van de uitgedrukte gevoelsinhoud belangrijker is dan complexiteit en contrapunt, zoals die in de laat-barokke periode werd toegepast.

Componisten die deels in de galante stijl schreven waren onder andere Couperin, Domenico Scarlatti, Telemann, Pergolesi, Giovanni Battista Sammartini en Quantz. In het bijzonder Carl Philipp Emanuel Bach verdiepte de galante stijl, en mengde deze met contrapuntische technieken. Hierdoor ontstond ook de Sturm und Drang-stijl die als aanzet tot de Eerste Weense School wordt gezien.


 

Mogelijk het meest galante werk wat Bach ooit schrijft is de Trauer Ode BWV 198 en deze dateert uit precies die periode waarin Bach de betreffende kerstcantate schrijft. Maar we moeten niet denken dat Bach zich voor deze, of voor welke stijl dan ook, volledig zou laten innemen. Immers, de Matthäus Passion stamt ook uit deze tijd en deze heeft vrijwel geen galante elementen. En ook in cantate 197 zien we juist ook die oudere kwaliteiten die we het meest waarderen in Bach’s vocale muziek. Zo heerst er nu juist in het openingskoor geen enkel gebrek aan contrapunt, integendeel, dit is een indrukwekkende en zeer kundig gemaakte fuga. 


De cantate begint uitgesproken feestelijk met trompetten en timpani die zich verenigen met het koor in een schitterend lang openingskoor, met een mooi rustig middendeel daarin. De introductie door het orkest gebruikt een stapsgewijs rijzende figuur, geïnspireerd door de woorden 'Wie Er uns’re Wege führt', een thema dat gedurende dit hele openingskoor gebruikt wordt. 


Een bas-recitatief vertelt ons nog eens dat God degene is die overal in voorziet. Alle recitatieven in deze cantate, dus ook dit, zijn niet alleen ambitieus in hun detaillering maar ook zeer effectief als overgangen tussen de verschillende delen. Zo brengt het arioso aan het eind van dit reciatief een perfect tempo aan voor de hierna volgende ‘sluimer-aria’. De galante stijl is duidelijk aanwezig in die simpele begeleidende strijkers en de oboe d’amore melodie die zo vanzelfsprekend en natuurlijk klinkt.


De nu volgende alt-aria begint met een werkelijk wonderschone melodie voor viool en hobo. Dit is één van die werkelijk prachtige wiegeliederen van Bach, schommelend, wiegelend met lange noten op ‘schläfert’. Het middendeel biedt een scherp contrast, immers; God’s ogen zijn altijd wakker. 


Een bas-recitatief met de hoogste noot op ‘Herr’ leidt naar het slotkoraal van het eerste deel.


De bas-aria die deel 2 opent wendt zich rechtsstreeks tot bruid en bruidegom. Hij slaagt er in tegelijkertijd zowel plechtstatig als ook gemoedelijk te klinken. De hobo zweeft hoog boven de donkerder tonen van bas en fagot. Ongetwijfeld moeten hobo en fagot hier het liefhebbende paar verbeelden en de gedempte violen verlenen aan het geheel een welhaast serafijnse gloed. 


Twee recitatieven voor sopraan en bas omarmen een sopraan-aria; wellicht een van Bach’s meest lichte Siciliano’s met een mooie vioollijn waarbij de hobo’s akkoorden spelen die het een pastorale sfeer verlenen.



Een lange cantate met een mooi openingskoor, een mooie alt-aria (bij Leonhardt: Rene Jacobs) en ook verder gevarieerd. De delen 6 en 8 zijn afkomstig uit een eerder geschreven kerstcantate 'Ehre Sei Gott in der Höhe' (BWV 197a) maar er is blijkbaar meer hergebruikte muziek in deze cantate. Mogelijk is dat de reden voor de grote variatie dan wel voor het gebrek aan eenheid en structuur. Hoe dan ook; het is mooi.


Bronnen; Dingeman van Wijnen, Graig Smith











cantates de cantates de cantates de cantates cantates de cantates de cantates nu 30