Wie volgens de BWV-indeling luistert kan ik nu melden dat U bijna rond bent en ook dat U nu naar de jonge Bach gaat luisteren. Wie chronologisch dit cantate-pad volgt weet dit alles reeds. 


BWV 196, een werk van bescheiden omvang, 10 a 11 minuten luisterplezier. Een lichte toon in deze muziek, relatief ongecompliceerd. 'No depth of emotion', zegt Whittaker. 


Deze cantate is, daar gaan we nu van uit, rond 1707/08 ontstaan en hoort daarmee bij de zes vroegste cantates. De stijl van Bach’s tijdgenoten en voorgangers sijpelt hier en daar door. Maar toch, de tweeëntwintigjarige componist laat ook horen - in een italianiserend preludium, in het contrapuntische tweede deel en in de dubbelfuga aan het einde - dat hij ook op deze leeftijd een vakman is. Anderzijds is het ook duidelijk dat Bach zijn vorm nog moet vinden. Wel horen we in de sopraan-aria iets nieuws; de vocale partij ontwikkeld zich daar geheel vanuit de obligate vioolpartij - dit is het oudste voorbeeld waar Bach deze techniek gebruikt.


We weten niet voor welke gelegenheid dit werk geschreven is maar mogelijk is dat geweest het voor huwelijk in 1708 van pastor Johann Lorenz Stauber met Regina Wedemann, zij is de tante van Bach’s vrouw Maria Barbara. Het jaar daarvoor heeft Stauber het huwelijk van Bach ingezegend. De tekst van de cantate vraagt om een zegening van huis en kinderen, dat versterkt wellicht het vermoeden dat het hier gaat om een huwelijkscantate.   


Het begin is ook nu weer een instrumentaal deel, een sinfonia. Een vredig, kalm en opgewekt stuk en een typisch voorbeeld van de stijl van Bach's vroege cantates. Het aansluitende koorwerk ‘Der Herr denket an uns’ is geschreven in een prelude-fuga-vorm zoals je die vaak bij orgelwerken aantreft. Na de sopraan-aria volgt dan een duet van tenor en bas, wat levendiger en ook met wat contrapuntisch werk in het middendeel. Het slotkoor met de tekst ‘Ihr seid die Gesegneten des Herrn...’ treft in zijn muzikale uitwerking heel goed de essentie van deze vrome woorden. Het koor zwelt aan op het eind voor het met een echo eindigt, dat is vergelijkbaar met die andere Mühlhausen cantate ‘Gott ist mein König’ BWV 71.


Het geheel is - vele jaren later - genoteerd in het handschrift van een student van Bach uit Leipzig.


Zelf vind ik deze cantate niet erg enerverend. De voorlaatste aria (het duet) is nog wel aardig maar dit redt de zaak niet. De Rilling-versie haalt bij mij nog net het predikaat 'niet onaardig' maar de versie van het Bach Collegium Japan is juist weer behoorlijk slaapverwekkend. Een goede reden om dan op 17 mei 2009 naar het concertgebouw te gaan waar Jos van Veldhoven zijn licht hierover zal laten schijnen, bijgestaan door de Nederlandse Bachvereniging. Maar nee, ook een live-uitvoering werpt geen nieuwe gezichtspunten op. Het orkest zit hier in een zeer kleine bezetting, het koor is een dubbelkwartet, aan beide zijden van het orkest opgesteld waarbij kwartet 1 (zij staan links) ook solistisch optreedt. Ik vind zo’n kleine bezetting altijd wat sneu. Het contrast solist - koor, met andere woorden het individu die zich meet met de groep, het komt zo helemaal niet tot uiting. Wat is mooier als een mooie solostem zingend met het koor, tegen het koor? Het is het individu tegenover het collectief, de enkeling tegenover de maatschappij. Dat is mooi.


Maarten ‘t Hart zegt ook iets over deze cantate. Hij vindt het toch wel frisse, levendige muziek van de jonge Bach.













verder naar cantate 143 >>  de cantates de cantates de cantates de cantate