Over deze cantate zijn verschillende ontstaansgeschiedenissen in omloop. Het zou een bruiloftscantate zijn, daterend uit Bach’s latere jaren, waarschijnlijk 1748/49. Maar ook valt te lezen dat hij in deze periode als het zo uitkomt nieuwe cantates, vaak baseert op zijn eerdere werk, en dat is wat hij hier ook doet. En vervolgens wordt het voor niet onmogelijk gehouden dat dat eerdere werk ook weer gebaseerd is op eerder werk. Voortschrijdend inzicht.


Ik kies nu even voor het inzicht wat James Leonard ons biedt op zijn web-site. Ik geef direct toe dat het enigszins natte-vinger-werk is om zijn inzichten te volgen. Immers, het enige wat ik kan aanvoeren is dat James overtuigend klinkt, hij biedt jaartallen, hij kent geen twijfels. De eerste versie van deze cantate, zo weet James, wordt geschreven in 1727, er volgt een gereviseerde versie in 1742 en tenslotte verschijnt er een derde variant tussen augustus 1748 en oktober 1749. De eerste versie telt 8 onderdelen. Maar voor de finale versie herschrijft Bach twee recitatieven en hij schrapt de delen 6 tot 8 om daarvoor in de plaats één nieuw slotdeel toe te voegen, een harmonisatie van een koraal van Paul Gerhard met twee hoorns in het orkest in plaats van de trompetten die hier oorspronkelijk klinken. Wat we nu altijd horen is die latere zesdelige versie met het koraal van Gerhard. De authenticiteit en de datering hiervan laten geen enkele ruimte voor twijfel, het papier wat hij gebruikt dateert uit de laatste levensjaren van Bach.


Alfred Dürr maakt uit de tekst van het openingskoor en die van het daarna volgende recitatief op dat het hier gaat om de bruiloft van een jurist; '...so Gerechtigkeit als Tugend ehrt' en de grote begeleidingsgroep duidt erop dat het bruidspaar hoe dan ook hoog op de maatschappelijke ladder staat. Dat is natuurlijk zeer aannemelijk. Want kijk eens naar de orchestratie. Bach schrijft voor twee fluiten, twee hobo’s, twee oboe d’amore, twee hoorns, drie trompetten, slagwerk, strijkers en basso continuo.


De cantate opent met een imposante muzikale entree in de vorm van twee uitgebreide koraalfuga’s, blazers en koper geven er extra gewicht aan. Twee nieuwgecomponeerde delen (2 en 4) omlijsten de enige aria in het werk. Die aria (3, voor de bas) heeft iets weg van een nogal relaxed dans- of volksliedje, Bach voegt zich naar heersende mode van zijn tijd. De bijzondere vorm dankt deze cantate aan de heersende gebruiken bij een huwelijksplechtigheid die neergelegd zijn in de kerkreglementen. Eén deel wordt uitgevoerd vóór de feitelijke plechtigheid (1-5) en een deel daarna (6).


Er zijn geen recensies van de cantate voorhanden dus een ieder moet het doen met mijn persoonlijke opvatting. Het is duidelijk dat het stuk bedoeld is als een feestelijke cantate en er wordt goed gespeeld maar het komt alles nooit echt van de grond door een overdaad aan werkelijk van alles. Kan men ook té uitbundig zijn? Bij Rilling lijkt het welhaast nog meer routinewerk te zijn dan bij Leonhardt.



Bronnen; James Leonard, Alfred Dürr






Naschrift: Later kom ik terecht bij Nele Anders die exact dezelfde lezing geeft als James Leonard. 









de cantates de cantates de cantates de cantates cantates verder met cantate 149