Monogram Johann Sebastian Bach







  ook voor Trinitatis  bwv 165 O heilges Geist- und Wasserbad

 

bwv 176 es ist ein trotzig und verzagt Ding

 

bwv 129 gelobet sei der Herr, mein Gott




Deze Leipziger cantate is gebaseerd op een seculier origineel uit Bach’s periode in Köthen. Van die eerdere cantate resteren slechts drie hobo- en strijkerspartijen en ook de teksten ontbreken zodat deze als verloren moeten worden beschouwt. Hoe dan ook, het wereldse origineel heeft diepe sporen nagelaten op deze Leipziger versie. De cantate heeft namelijk alle kenmerken van een orkestsuite: de aria's hebben een dansritme en het openingskoor is in feite een Franse ouverture. Kerkmuziek?

 

Bach schrijft (misschien kunnen we beter zeggen bewerkt) deze kolossale dubbelcantate voor de inwijding van een orgel in het dorpje Störmthal. Het is een feestelijke cantate maar dan toch met bescheiden middelen. Het orkest omvat, naast strijkers en continuo slechts drie hobo's. Maar het is wel een ongewoon lange cantate; twaalf stukken waarbij het de bedoeling is dat de eerste zes worden uitgevoerd vóór de preek, de tweede zes daarna. Het openingskoor bestaat uit drie delen; een plechtig orkestraal begin en slot (Grave) met daartussenin een snelle, zeer uitgebreide koorpartij met zowel homofone als polyfone onderdelen en met het karakter van een fuga. In het instrumentale slot nemen strijkers en blazers elkaars partijen over en het geheel eindigt op de valreep toch nog met het koor.

 

De bas krijgt een recitatief en een aria toebedeeld, een liefelijk, pastoraal stuk is dat met vele herhalingen van steeds dezelfde teksten. Daarna mag de sopraan waarschuwen voor de ijdelheid die mensen eigen is en ze krijgt vervolgens een heerlijke aria die veel weg heeft van een gavotte (een franse hofdans) maar met in de tekst reminiscenties aan de profeet Jesaja wiens lippen werden bewerkt met gloeiende kolen i.v.m. zijn ‘onreinheid’. Mooie muziek, dat wel. Ongewoon is dat in het slotkoraal wat hierna het eerste deel afsluit, de hobo een onafhankelijke partij mag spelen in plaats van - zoals gebruikelijk in slotkoralen - een aanvulling van de vocale partijen. 

 

Dit is blijkbaar het juiste tijdstip voor de preek waarna het tweede deel van de cantate zal volgen met dit keer de tenor in een recitatief/aria paar. We blijven dansen want deze aria heeft veel weg van een gigue. Moeilijk moet dit alles zijn voor de tenor want deze nieuwe teksten te zingen op die zeer dansante muziek die zo overduidelijk voor een ander doel is geschreven, het moet een moeilijke opgave zijn. Niet zo zingbaar wellicht en veel steun aan instrumentalisten heeft de tenor ook al niet want de bezetting is heel eenvoudig.

 

Gott ist was uns glücklich macht’ 

 

dat moet ons blijkbaar voldoende zijn. En hierna in een secco recitatief wordt dit pas echt een seculiere cantate wanneer daar in een dialoog sopraan en bas mogen aantreden waarbij de sopraan hem blijkbaar moet overtuigen wat in de slotfase ook lijkt te lukken. Dat blijkt overduidelijk in het duet wat nu volgt, een zeer lang uitgesponnen menuet met prachtige partijen voor de beide hobo’s. 

 

'God woont in dit huis en uw hart' 

 

dat zegt de bas in een laatste recitatief waarna de cantate besluit met opnieuw twee koraalverzen, het zijn de coupletten 9 en 10 van Paul Gerhardts 

 

Wach auf, mein Herz und singe

 

 

Een heel afwisselende cantate is dit, een typisch parodie-model met opgewekte zang, feestelijk vanaf de allereerste openingstonen. De mooiste aria's van deze toch wel lange cantate zitten in het eerste deel. Bij Rilling valt vooral die geweldige, steeds maar voortgaande sopraan aria op, langer dan 6 minuten is die. En ook de duetten op het eind (tenor-jongenssopraan) zijn bij Harnoncourt minder dan in de versie van Rilling. Mijn favoriete koraal (psalm 42 voor de kenners) zit ook nog in deze cantate. Maarten schrijft dat het meest verukkelijke stuk uit de cantate ook voor hem de 'vrolijke, zwierige sopraanaria in de vorm van een heuse gavotte' is.

 

 

 

 






 

artikelen

 

 

 

Wat het meest wonderlijke is bij het beluisteren van al deze zeer religieuze muziek is dat Bach muziek uit eerder geschreven wereldse cantates kan overhevelen naar kerkelijke cantates waarbij ze van een nieuwe tekst worden voorzien. Wellicht heeft het te maken met de enorme werkdruk waaronder hij moet presteren. Toch moet hij vaak evenveel tijd kwijt geweest zijn met het aanpassen van reeds bestaande muziek aan een nieuwe tekst. Vaak word die muziek opnieuw uitgeschreven en naar een andere toonsoort getransponeerd. 

 

Lees hier verder over dat wonderlijke ‘Parodieverfahren’ van Bach.







ga verder naar cantate 60 >>  de cantates de cantates de cantates de cantates