De kerkmuziek van J.S. Bach geniet grote bekendheid. Er zijn cantatediensten, er zijn uitvoeringen in concertvorm, maar zelden horen we het rijke kader waarin de kerkmuzikale composities van Bach geklonken hebben. In de tijd van Bach duurde een kerkdienst 3 tot 4 uur. Zeker op feestdagen was het een viering waarbij de muziek een zeer prominente plaats innam. De diensten werden vormgegeven volgens de Lutherse traditie van die tijd. Luther had, ook in het vieren van de lithurgie, een groot aantal hervormingen doorgevoerd. Zo componeerde hij liederen die door de gemeente werden gezongen (koralen) en hij voerde de landstaal in. Maar anders dan bij de reformatie in Nederland bleven veel elementen uit de rooms-katholieke mis gewoon gehandhaafd. Er werd veel gereciteerd (gezongen lezingen en gebeden) en sommige onderdelen van de dienst klonken in het Latijn.

Bach hanteerde nog altijd dit Lutherse stramien maar voerde daarbij ook steeds een recent gecomponeerde cantate uit. En hij greep terug op eerder door hem geschreven werk of muziek van andere componisten. Naast bijdragen van professionals en geschoolde amateurs is er de gemeentezang die een belangrijke plaats inneemt. Onduidelijk is hoe de koralen werden gezongen. Wel weten we dat tijdens Bach’s cantorschap in Leipzig een verandering plaatsvond van onbegeleide naar begeleide gemeentezang. Het tempo van het zingen lag veel lager dan we nu gewend zijn en als er begeleid werd klonk tussen elke koraalregel een tussenspel. Vierstemige koraalzettingen werden gezongen door het koor maar het is zeer waarschijnlijk dat de gemeente de bekende liederen meezong.

Op zondag 22 september 2013 kunnen we in de Waalse Kerk in Amsterdam een reconstructie meemaken van een kerdienst zoals die mogelijkerwijs heeft plaatsgevonden op 31 oktober 1730 te Leipzig, de viering van het Reformationsfest. Een zeer uitgebreide viering waarbij de cantate slechts een bescheiden onderdeel is van dat geheel. De dienst begint met een preludium voor orgel en vervolgt met het koraal “Herr Jesu Christ dich zu uns wend” waarbij de verschillende onderdelen beurtelings meerstemmig en eenstemmig worden gezongen door koor en gemeente. Na opnieuw een preludium voor het orgel volgt dan een korte mis voor koor en solisten. De zegen wordt uitgesproken (ik moet eigenlijk zeggen hij wordt gezongen door de voorganger), er wordt een Epistellezing gedaan (opnieuw gezongen door de voorganger) waarna een preludium door het orgel “Ein feste Burg ist unser Gott” voorafgaat aan het gelijknamige koraal, ook nu weer beurtelings gezongen door koor en gemeente. Hierna volgt een Evangelielezing door de voorganger (gezongen) waarna het tijd is voor de cantate “Nun danket alle Gott” die nog wordt ingeleidt door een preludium voor het orgel.

Op dit punt aangekomen, de cantate is zojuist beëindigd, zijn we zo'n anderhalf uur onderweg op het traject van deze ‘reconstructiedienst’. Zijn we nu halverwege? Wat hierna volgt is de z.g. prefatie (de inleiding van het eucharistisch gebed), een sanctus, gezongen door het koor, Het ‘Onze vader’ (gereciteerd door de voorganger), de musica sub communione (muziek voor bij het avondmaal), een 'Agnus Dei', een dankgebed en tot besluit de hymne 'Allein Gott in der Höh sei Ehr’ ook nu weer voorafgegaan door een preludium.

De dienst duurde al met al geen 3 of 4 uur maar 2 uur en 7 minuten. Zeker, een zeer, zeer uitgebreid programma maar door ons aller actieve deelname is dit ook voor de mens van de 21e eeuw een aanvaardbare lengte. 

 

 

 

 

 

   “Nun danket alle Gott”

Het eerste deel van deze korte cantate is een koraalfantasie, vakkundig gemaakt, onconventioneel. Tweemaal verlaten de sopranen hun hoofdfunctie om het bekende danklied ‘Nun danket alle Gott’ te intoneren; ze schakelen om en worden op dat moment een integraal onderdeel van het vier-stemmige koraalpatroon. Intussen spelen de instrumenten groepsgewijs (fluiten, hobo’s en strijkers) maar thematisch onafhankelijk van elkaar en gaan vervolgens verbindingen aan in concertante dialogen. Maar Bach is blijkbaar niet tevreden met het gescheiden optrekken van vocale en instrumentale stemmen en hij weeft ze dooreen en als alles gedaan lijkt en goed is en de laatste woorden van de hymne zijn gezegd brengt hij plots het koor terug voor een finale uitroep boven de laatste maten van het orkest uit. 

Vervolgens is het fascinerend hoe Bach de metrische regelmaat van de hymne nu voor solostemmen toonzet in het bas-sopraan duet (2) met behulp van zeer subtiele variaties en herhalingen van het materiaal. Maar hij bewaart zijn beste muziek voor de derde strofe, een geparafraseerde lofzang is het, hier getoonzet als een wat zangerige gigue. Het is beslist een niet zo verre neef van de gigue in D die zijn derde orkestsuite besluit. Critici noemen dit deel ongeschikt voor zo’n nationale triomfdag als Reformatiedag waar de cantate voor bedoeld zou zijn. Maar je kunt het ook zo zien dat in dit laatste deel op vreugdevolle wijze het juk wordt afgegooid, dat bereikt is dankzij Luther’s Reformatie.


Bronnen; Klaas Stok, John Eliot Gardiner

 









 nu een nog ontbrekende koraalcantate bwv 112 >>