Monogram Johann Sebastian Bach






voor de eenentwintigste zondag na Trinitatis

bwv 109 ich glaube, lieber Herr

 bwv 38 aus tiefer Not schrei ich zu dir

bwv 98 was Gott tut, das ist Wohlgetan




'Ich habe meine Zuversicht' is wel in een heel trieste staat aan ons overgeleverd, slechts enkele fragmenten zijn bewaard gebleven. Op enig moment in de historie worden de 18 pagina’s van de originele compositie in vele stukken gesneden en verspreid over de wereld. Wat een wonderlijke geschiedenis. Ergens lees ik dat het de bedoeling was om de handel in Bach relieken op deze manier te stimuleren. Maar dat kan toch niet waar zijn?

Vele jaren wordt betwijfeld of Bach de componist is. Maar de dichter Henrici (we kennen hem als Picander) bevestigd een en ander in het voorwoord van zijn 'Cantates voor zon- en feestdagen' (uit 1728) zonder enige reserve; 

“.....mogelijk wordt de afwezigheid van poetische charme enigzins gecompenseerd door de verukkelijke muziek van de onvergelijkbare kapelmeester Bach, zodat deze muziek gehoord mag worden in de belangrijkste kerken van de toegewijde stad Leipzig”

En zo treffen we hier opnieuw een cantate waaraan veel gesleuteld wordt. De Sinfonia kan alleen gereconstrueerd worden dankzij een kopie uit 1836 waar we een opmerking aantreffen van de componist:

“het orgelconcert vormt de introductie”

Bedoeld wordt hier het derde deel van het klavierconcert BWV 1052 dat dan weer gebaseerd is op een verloren gegaan vioolconcert zonder BWV aanduiding. Deel 1 en 2 van dat klavierconcert werden door Bach al eerder gebruikt namelijk voor cantate 146. Na deze instrumentale introductie volgt een da capo aria voor tenor (2) waarin op typerende wijze in het ritornello alvast geanticipeerd wordt op het thematische materiaal. Zo kennen we Bach. Boven strijkers en de hobo - op bepaalde plaatsen solistisch - wordt een hevig emotionele, ietwat onbestemde melodie ontwikkeld, terwijl in het middendeel bij de woorden

“Wenn alles bricht,

  Wenn alles fällt,

  Wenn niemand Treu und Glauben hält” 

 

levendige strijkersfiguren en voortsnellende, bijna cascade-achtige hobo loopjes de betekenis van die tekst illustreren. In de alt-aria (4), heel spaarzaam bezet namelijk met obligaat orgel en cello, is er velerlei soepel toegepaste ritmiek die de tekst verbeeldt


“Unerforschlich ist die Weise, 

  Wie der Herr die seinen führt”

Ondoorgrondelijk dus, zoals de elkaar overlappende maar wel degelijk verschillende ritmes van de twee instrumentale partijen. Samen met de altstem vormen hier orgel en continuo een trio dat zowel ongewoon als aantrekkelijk is. Ofwel in de woorden van de tekst; “Het is niet te doorgronden hoe Bach de stemmen leidt” namelijk door “Kreuz und Pein”

Maar is dit alles inderdaad zo weldoordacht tot stand gekomen als hier gesuggereerd wordt? Robertson denkt van niet. Hij heeft het over een interessante orgelpartij boven die continuo met daarbij een werkelijk doodsaaie vocale partij. Hij suggereert dat dit een geval is van een overhaaste adaptatie van een ouder werk. Tja, dat kan natuurlijk ook.

Gardiner is enthousiast over de tenor-aria, net als Simon Crouch die zegt maar niet te kunnen beslissen of dit nu één van Bach’s werkelijk grote werken is of toch één van zijn misvattingen. 

‘Does he really make the most of developing that tune? I'm going to have to live with this one a little longer and in the meantime I urge you to listen to it and make up your own mind.’

Goed Simon, we zullen meedenken. Maar bij mij is het enthousiasme voor deze cantate nog steeds niet aanwezig. We horen een heel aardige opening, met name bij Gardiner, daar swingt die Sinfonia werkelijk prachtig. Heerlijke muziek, maar wat doet dit eigenlijk in een cantate? Persoonlijk vind ik dat dit soort adaptaties nogal gekunsteld aandoen. Misplaatst is het want dit is zo overduidelijk muziek voor aan ‘t hof, of desnoods voor de concertzaal. Misplaatst maar prachtig. Helaas wordt Gardiner wat verderop bijgestaan door de alt William Towers, die doet er zeker geen goed aan.

En toch, als zo vaak geschied er dan alsnog een wonder. Als ik later Rilling hoor dan vind ik de tenor-aria zo mooi. Prachtig.



Bronnen; Nele Anders, Simon Crouch

 

 

 

 

 



cantates de cantates de cantates de cantates cantates de cantates verder met bwv 117