Monogram Johann Sebastian Bach






andere cantates voor de vierde zondag na Trinitatis

bwv 177 ich ruf zu dir, Herr Jesu Christ

bwv 24 ein ungefärbt Gemüte






‘Barmherziges Herze der ewigen Liebe’ (BWV 185) is gebaseerd op teksten van Salomo Franck en op het koraal ‘Ich ruf zu dir, Herr Jesu Christ’ van Johann Agricola (1529). Het thema komt uit ‘de bergrede’ waarbij Jezus spreekt over de balk in het eigen oog die wij eerst moeten verwijderen alvorens ons bezig te houden met de splinter in het oog van de ander (4); wij moeten compassie tonen! 


In zijn uitwerking van dit gegeven brengt Bach de gehele betekenis en de emotionele lading van de tekst samen in de eerste aria waar hij de koraalmelodie, verklankt door de hobo, aan toevoegt zodat dit openingsduet een link krijgt met het slotkoraal (6). De melodie van het koraal verrijst als een rustig eiland temidden van een voortdurende muzikale stroom van verschillende motieven die allen verwijzen naar de melodische en de harmonische structuur van het koraal. Dit creëert een grandioze spanning tussen de gevestigde muziek zoals de toehoorder die kent en de nieuwe 'kunstmuziek', tussen collectieve traditie en nieuwe persoonlijke vormen. 


In de daarop volgende delen horen we hoe Bach nieuwe, uit Italie geimporteerde muzikale vormen als het recitatief en de aria gebruikt. Het recitatief (2) krijgt een arioso einde waardoor hij een zeer persoonlijke interpretatie geeft aan de tekst. In de hierna volgende aria (3) plaatst Bach een herhaling van de instrumentale prelude vóór het gebruikelijke da capo, en in de bas-aria (5) wordt het motto ‘Das ist der Christen Kunst’ herhaald als in een rondo. 


Het werk is er in vier verschillende versies aangezien Bach het steeds aan nieuwe inzichten aanpast. De oorspronkelijke Weimar versie (uit 1715) is veel bescheidener in zijn instrumentatie dan de latere uit Leipzig. Zo wordt de hobo uit de opening vervangen door een trompet.


En wat vinden wij allen van deze cantate? Whittaker’s analyse wordt bepaald door wat hij noemt ‘de stekelige rozen zijnde de teksten van Salomo Franck, veel te overvloedig gestrooid op het pad van de jonge componist’. Schweitzer meent dat Franck’s droge, moraliserende libretto de schoonheid van het werk in de weg staat. Maar Gardiner neemt het op voor deze cantate. 


“Bach vindt overtuigende manieren om Franck’s gratuite evangelische bevel om barmhartig te zijn, zoals ook onze Vader barmhartig is, weer te geven. Hij is heel trefzeker in het siciliano voor sopraan en tenor. We horen een warme gloed in dat openingsduet, vibraties op de polsslag van deze muziek die een flakkerende liefdesvlam verbeelden, een pleidooi om ‘ook mijn hart te komen versmelten’. En boven die twee amoureuze vocale lijnen wordt dan dat koraal van Agricola ingezet ‘Ich ruf zu dir, Herr Jesu Christ’. En dan het zachtst denkbare recitatief (2) om de deugden van de charitas en de noodzaak tot vergeving te roemen. Ach, we raken bijna overtuigd maar dan volgen de woorden ‘Vergaar je een kapitaal zodat God later met rente kan terugbetalen’. Het idee achter deze wel zeer klungelige metafoor wordt verder uitgewerkt in weelderige instrumentale partijen achter de centrale alt-aria (3), het enige onderdeel in een majeure toonsoort waar Bach verwijst naar de rijke oogsten die nog zullen komen. Het begin van de finale aria voor de bas doet vervolgens het ergste vermoeden maar, hoe ingenieus om juist rond dat woord ‘Kunst’ dit soort weinig verheven materiaal te gebruiken, en om zo in een mild parodierende stijl een schets te geven van een pompeuze prediker. We weten dat Hertog Wilhelm Ernst aan het hof van Weimar van tijd tot tijd zijn hele staf trakteert op predikingen. Zelfs dat hij, steeksproefsgewijs, allen aan het hof inclusief de dienstboden, toetst op hun kennis van de catechismus. Is hij het die hier geschetst wordt in dit werk? Nee, zeker niet, hoewel het niet zo lang meer zal duren voor de relatie tussen hem en zijn Konzertmeister ernstig zal verslechteren.”


Tja, en na dit gloedvolle betoog van Gardiner is kunnen we alleen maar buitengewoon nieuwsgierig zijn naar zijn opvatting van dit werk. Wat valt dat tegen. Jawel, we begrijpen wel wat hij wil doen maar hij slaagt daarin niet. Dit klinkt hier en daar alleen maar larmoyant, gezwollen, pathetisch, helemaal niet als een parodie. Dit benadrukt eens te meer de tragische kwaliteit van de teksten. De Rilling-versie is beter en bereikt vooral in dat duetto werkelijk grote hoogten. Jammer dat verderop Philippe Hüttenlocher ook al zo dikdoenerig opzwelt. Dan kun je beter Hampson hebben, die zingt bij Leonhardt. De ideale uitvoering vinden wij ook niet in de Kruidvat versie. Zelden hoor je een zo ongeïnspireerde uitvoering als hier. Geen enkele solist komt ook maar enigszins uit de verf. Bas Rammelaar spreekt echt geen Duits, Sytse Buwalda klinkt flauw. Het geheel is ongelofelijk vlak. Onverwachts maken de instrumentalisten nog iets van de alt-aria en het koor doet een poging in het slotkoraal. Nee, de enige werkelijk mooie uitvoering vinden we opnieuw bij Suzuki. Daar kunnen we de tekst vergeten en we horen alleen muziek.


Bronnen; Whittaker, Schweitzer, Gardiner















     

  de volgende cantate is BWV 163 >>  de cantates de cantates de cantates de