er is nog een cantate bestemd voor de Derde Pinksterdag

bwv 175 er rufet seinen Schafen mit Namen


Mooi! Ik durf haast te wedden dat dit, net als cantate 173, (in chronologie de vorige) oorspronkelijk een wereldse cantate is. Het is zo feestelijk getoonzet allemaal. Vooral dat lange sopraan-alt duet is wonderschoon. Twee slotkoren, een dansje. Ongewoon is het.

 

Het tekstboekje bij de Harnoncourt/Leonhardt editie meldt dat dit werk hoort tot de cantates geschreven in Bach’s eerste Leipziger jaar, 1724. Het werk is gebaseerd op een 'werelds origineel' (aha). Deze wordt aangeduid als BWV 184a, de tekst daarvan heeft de eeuwen niet overleefd. Han Joachim Schulze is in staat geweest te bewijzen dat dit werk wordt geschreven in Köthen voor Nieuwjaarsdag 1721. De periode in Köthen wordt algemeen beschouwd als het tijdperk waarin Bach, werkzaam aan ‘t hof van Prins Leopold van Anhalt Köthen, maar weinig vocale muziek schrijft in vergelijking met de Weimar jaren en de Leipziger periode. Het is voor Bach de periode van de orkestrale muziek en de kamermuziek. Maar er zijn toch een paar gelegenheden, de verjaardag van prins Leopold bijvoorbeeld op 10 december maar ook de Nieuwjaarsdag, waarvoor de componist geacht word feestelijke, vocale werken te schrijven. En niet te vergeten de verjaardag van Leopold’s echtgenote op 30 november. De meeste van deze gelegenheidscantates zijn verloren gegaan. Soms echter leven ze voort in een andere vorm, namelijk als Bach ze later omwerkt tot kerkcantates. Dat is bij BWV 184 het geval maar b.v. ook bij BWV 36 en BWV 173. 

 

Maar het omgekeerde gebeurd ook. Soms gaat Bach zijn kerkelijke cantates opnieuw omzetten als hij een feestelijk werk nodig heeft, b.v. voor de verjaardag van een professor of voor een prominente dignitaris uit Leipzig. Zo gaat BWV 36 een nieuw leven tegemoet als verjaardagsmuziek voor prins Leopold in 1725 en kort daarna wordt de muziek opnieuw gebruikt voor de verjaardag van diens tweede vrouw Charlotte Frederike Wilhelmina. De tekst krijgt dan exact hetzelfde metrum als de eerdere versies. Na deze vroege versies en de kerkcantate-versie volgt er dan 10 jaar later opnieuw een adaptatie in de vorm van de feestelijke cantate BWV 36b, die krijgt als titel 'Die Freude reget sich' en wordt blijkbaar gebruikt voor de installatie van Andreas Flores Rivinus als rector magnificus van de Universiteit van Leipzig. Bach is een praktisch ingesteld mens.

 

Terug naar 'Erwünschtes Freudenlicht' want over deze eenvoudige, direct aansprekende cantate kunnen we toch nog wel iets zeggen. De onbekende auteur van deze tekst portretteert Jezus weer eens in zijn hoedanigheid van 'Goede Herder', wiens kudde van gezegende christenen hem vreugdevol volgt, in het leven maar ook tot in het graf. Het is dit plezier, dat met een treffend fluitmotief (vier zestienden met aansluitend achtsten) het openingsrecitatief karakteriseert. Ongetwijfeld is het het ‘Freudenlicht’ wat hier in doorklinkt. Ook horen we die specifieke overgang - zo typerend voor juist de vroege Bach cantates - van recitatief naar arioso die de daarna volgende tenoraria voorbereid. In de beide aria’s (2 en 4) corresponderen de ritornelli in veel opzichten met de vocale partijen. Die eerste aria heeft een pastoraal karakter, vanzelfsprekend daar waar het gaat over de ‘Goede Herder’. De tweede aria bestaat uit een dialoog tussen de tenor en de soloviool zonder duidelijke referenties met de tekst. Het daarna volgende koraal is in de plaats gekomen van een recitatief zoals dat in de Köthense versie aanwezig was. En dan volgt er nog een tweede koorwerk, duidelijk ontwikkeld vanuit een vocaal duet en daarmee nemen we het dansante levensgevoel nogmaals op; de ‘Goede Herder’ geeft ons troost en dit keer op het ritme van een gavotte.

 

En met deze cantate (uitvoering op 30 mei 1724) wordt Bach’s eerste Leipziger jaarcyclus afgesloten. Hij is nu precies een jaar geleden aangesteld als Thomaskantor. Vanaf dit moment zal hij de lat voor zichzelf wat hoger leggen. 





de volgende cantate is BWV 20  >>  de cantates de cantates de cantates