nog een cantate voor de zondag na Hemelvaartt (Exaudi)


bwv 44 sie werden euch in den Bann tun




Deze cantate hoort ook weer bij de serie gebaseerd op de teksten van Christiane von Siegler. Het is zondag 13 mei 1725. De cantate is kort, de uitvoering duurt minder dan een kwartier. Er wordt wel gedacht dat Bach’s belangstelling voor het schrijven van cantates in deze periode verflauwt. Maar toch, wie gaat tellen komt tot de conclusie dat zijn productie onveranderd hoog blijft. Tussen eind april en eind mei 1725 schrijft hij 8 cantates! Is het een wonder dat sommige wat aan de korte kant zijn? En het blijft allemaal hoogst origineel, elke cantate is een nieuw experiment.

 

De tekst van het voor deze dag gekozen lied behandelt een evangelietekst die de vervolging van de apostelen voorspeld. Maar de arm van Jezus zal de gelovige beschermen, daarom zal hij Hem bereidwillig en opgewekt volgen. Het is een tekst die Bach eerder op muziek gezet heeft in BWV 44, precies een jaar geleden. Maar wat nu een solo voor de bas is, de opening, was toen een krachtig duet gevolgd door een al even krachtig (massa-)koor. Bach herhaalt zich zelden. Waarschijnlijk ziet hij het als een uitdaging; exact dezelfde tekst en dan zien hoe verschillend dat uitgewerkt kan worden. 

 

De bezetting van deze cantate is ongewoon. Maar liefst vier hobo’s en ook nog een violoncello piccolo voor de tenor aria. Die ongewone instrumentatie wordt ingegeven door de uitwerking van de twee aria’s (2 en 4) in zeer rijk geornamenteerde vocale en instrumentale partijen. Maar niet alleen die aria’s, ook het tweede recitatief krijgt een ongewone instrumentale begeleiding; het constant terugkerende motief 'Ich bin bereit' schakelt heen en weer tussen de beide hobo paren (da caccia en d’amore) en de altstem.

 

Maar eerst dat bijzondere openingsrecitatief. Boven een a van het orgelpedaal die aangehouden zal worden tot aan de finale kadens geeft de bas ons op gebiedende toon zijn waarschuwing.

 

‘Sie werden euch in den Bann tun’

 

Akkoorden van de vier hobo’s begeleiden het. Het kan niet anders of dit alles moet daar in Leipzig een unieke en zeer indringende klank hebben geproduceerd. De kerkgangers zitten nu rechtop in de kerkbanken. De tenor aria die hierna volgt is langer dan alle andere onderdelen van de cantate bij elkaar, ze is het hoofdbestanddeel. 

 

‘Ik vrees de dood niet, Jezus zal me beschermen’

 

En toch, het timbre is consequent donker, somber hier en daar, de toonsoort is in mineur. De stemming is er één van reflectie, gelatenheid. Misschien is er de schijn van blijdschap maar die is er niet. Er is in de wendingen van de vocale lijnen een suggestie van huiver, van pijn. Dat blijft zo tot dat energieke melisma op ‘folge’. Het is indicatief voor Bach’s onvoorwaardelijke levenshouding; wat er ook gebeurt, ik zal Christus volgen. Het is die zekerheid en het rustig vasthouden aan het geloof wat in deze muziek wordt uitgedrukt. Dan, in het recitatief (3) wordt de ziel, of misschien is het wel de kerk (voor beiden wordt door Bach vaak een alt aangewezen) direct onderworpen aan de wil van Christus. Vanaf dat moment lijkt dat wel de troost van deze cantate te zijn. Steeds opnieuw horen we dat motief 

 

‘Ich bin bereit’ 

 

in de figuren van de hobo’s. Maar in de laatste zin wringt Bach ons toch nog onverwachts van de ene toonsoort in de andere. Tot nu toe was er geen enkele aanwijzing dat wij het mogelijk niet zouden volhouden maar die blijkt nu - zonder waarschuwing - uit de tekst en Bach brengt dat krachtig in beeld. Jawel, we gaan naar C majeur, de toonsoort van de finale aria, maar wel met een onverwachte schok. Want die sopraan aria is nu juist van een heel vreedzaam karakter; troost en zekerheid, dat is wat ze biedt. De beide oboe da caccia (de laagste hobo’s dus) spelen een rustig concert in het middenregister, lager dan de zangstem. Tezamen met de strijkers vormen ze misschien wel de muzikale uitdrukking van een goed geplaveid pad waarover die glazen fragiliteit van die hoge stem zou moeten voortgaan.

 

Het slotkoraal neemt als tekst het vijfde vers van een hymne van Paul Gerhardt 'Zeuch ein du deinen Toren' terwijl we de melodie van het koraal ‘Helft mir Gottes Güte preisen’ horen.  Het is zo’n sterke melodie die - hoe zullen we dat zeggen - een ‘Duitse robuustheid’ heeft. Je kunt je voorstellen hoe de burgers van Leipzig hierbij gaan staan en hun stemmen verheffen naar het dak van de kerk. Maar we weten niet of Bach’s gemeente meezingt met de koralen. Misschien blijven ze zitten, alleen maar luisterend en verzonken in hun eigen gedachten. 

 

Dit is helemaal geen onaardige cantate, deze BWV 183, die bij Harnoncourt helaas verprutst wordt door de jongenssopraan. Maar als én Arleen Auger én Peter Schreier mogen aantreden in één en dezelfde cantate, tja, dan kan er weinig meer misgaan. Bij Rilling is dat het geval en het is werkelijk prachtig. En dan ben ik benieuwd wat Gardiner hier van maakt. Maar hé, de betreffende cd ontbreekt want er zit iets anders in het boekje. Fame in de Kalverstraat lost dit op, nog even geduld.

 

 

Geraadpleegde bronnen: Nele Anders/Julian Mincham










de cantates de cantates de cantates de cantates  verder naar cantate 74 >>