ook voor annunciatie (festo Mariae annunciationis)

bwv 1  Wie schön leuchtet der Morgenstern




Geschreven in de Weimar-tijd (in 1714) en bedoeld voor uitvoering in de paleiskapel aldaar. De periode waarin Bach slechts nu en dan, al dan niet in opdracht, een cantate componeert loopt nu ten einde. Hij wordt bevorderd tot 'Konzertmeister' en in die hoedanigheid is hij contractueel verplicht maandelijks een nieuw, onder zijn leiding uit te voeren werk, te produceren. In het jaar van zijn aanstelling komen  verder o.a. veel transcripties van Vivaldi-werken tot stand. Het is ook het jaar waarin Bach een radikaal leerproces doormaakt dat leidt tot een aantoonbare koerswijziging in zijn carierre als componist. Sporen van dat vele heroverwegen zien we in de openingssonate van de cantate en ook in de zeer gevarieerde alt-aria en in de verschillende koorvormen die de indruk geven dat Bach de hele diversiteit van compositorische bronnen die hij tot zijn beschikking heeft wil demonstreren. Het is zijn eerste werk als Konzertmeister.


De uitvoering van ‘Himmelskönig, sei willkommen’ is op Palmzondag, de zondag vóór Goede Vrijdag en Pasen, de zondag van Jezus’ intocht in Jerusalem. We horen een mooie openingssonate geschreven in de stijl van een franse ouverture waar soloviool en blokfluit een concertante dialoog aangaan boven een constant pizzicato van de strijkers, het zou een verbeelding van Christus’ rit op de ezel naar Jerusalem kunnen zijn. En juist op dat magische moment als de strijkers een aanzwellend arco spelen voel je die coup de foudre van Bach’s eerste ontmoeting met de muziek van zijn italiaanse tijdgenoten, van Corelli, Vivaldi e. a. 


Daarna is er een madrigaal-achtig welkomslied voor koor (2) waarbij concertisten en ripienisten samenkomen op precies het moment dat strijkers en blokfluit hun entree maken - het suggereert een groeiende menigte die Christus verwelkomt als Gods vertegenwoordiger in de wereld. Zelden is Bach zo licht van toon als hier in dit stuk.


Er is slechts één recitatief gevolgd door drie sterk contrasterende aria’s die Christus’ komende Passietijd behandelen, de bas (4) en de tenor (6) richten zich daarbij direkt tot Christus, de alt (5) maant de Christenen om naar voren te komen om de Heiland te ontmoeten zoals in het Evangelie is gezegd, ‘kledingstukken op de weg uitspreidend’ terwijl anderen ‘takken van de bomen snijden om over het pad uit te strooien’. Bach plaatst een solitaire blokfluit tegenover de alt-solist in een langzame, uitgesponnen da capo aria met buigende, neerwaartse frases die het buigen van takken suggereren en het neergaan voor de Heiland. De tenor-aria, met een aktieve maar soms gepijnigde continuo-lijn (in de Leipzig versie in C klein) suggereert soms al een Passie-achtige stemming.


De cantate eindigt met twee koren. De eerste is een motet-achtige koraalfantasie gebaseerd op een bekende hymne voor de Palmzondag, de tweede een zeer levendige dans voor het koor die zo uit een komische opera uit die tijd geplukt zou kunnen zijn. Hoe zing je dit? John Eliot Gardiner schrijft erover in het begeleidend boekje;


"Het evenwicht van een trapeze artiest hebben we nodig maar ook een vocale behendigheid als bij het turnen. Fascinerende muziek is het en we moeten dat horen".


De cantate is geschreven voor een betrekkelijk kleine ruimte, de paleiskapel te Weimar. Het kamermuziek-achtige, de vrolijkheid en lichtheid van het kleine ensemble, het lijkt allemaal perfect afgestemd op dit gebouw. Het is niet genoeg om ook de grote zijbeuken van de Thomaskirche in Leipzig te vullen als het werk 10 jaar later (in 1724) opnieuw wordt uitgevoerd. Dus schrijft Bach meer strijkers voor, hij breidt de vocale partijen voor de koren uit en versterkt het gedeelte voor de fluit met een soloviool. Voor een tweede herhalingsuitvoering in 1728 wordt het fluitgedeelte gegeven aan de soloviool en de vioolpartij wordt overgenomen door een hobo - Bach heeft inmiddels zijn klankideaal volledig herzien.


Dit is één van die cantates die aanvankelijk geen enkele indruk op mij maken. Later vind ik de versie uit de kloosterkerk in den Haag onverwachts mooi, gezongen door enthousiaste amateurs. Geen pretenties, de sfeer van een live-kerkdienst en met een galm die wellicht meer doet vermoeden dan er is. Dit vind ik tot op dat moment de mooiste versie. Maar later verschijnt de versie van 'trapeze artiest Gardiner' die de Leipzig-versie kiest. Suzuki kiest de (eenvoudige) Weimar versie.


Hierna verder met cantate 12 'Weinen, Klagen, Sorgen, Zagen'.















Ripiënisten - Ripieno (Italiaans: volledig), aanduiding voor alle meervoudig bezette stemmen die in tegenstelling tot de solistenstemmen staan. Onder ripiënisten worden verstaan dienovereenkomstige orkestmusici of zangers zonder solistische taak. Concertisten zijn de zangers of musici met een solistische taak.


Arco - Italiaanse muziekterm: opgeheven pizzicato (met opgeheven strijkstok).


Coup de foudre - zeer treffende gebeurtenis (lett. blikseminslag).


Da Capo - Een muziekterm afkomstig uit het Italiaans en het betekent vanaf het begin. Da Capo of afgekort D.C. wordt doorgaans boven de laatste maat geschreven. De speler wordt dan verondersteld alles vanaf het begin nog een keer te spelen. Een uitbreiding is vaak: da Capo al Fine: speel alles vanaf het begin tot aan het woord Fine. 









Jezus' intocht in Jeruzalem