Monogram Johann Sebastian Bach


andere cantates voor de achtste zondag voor Pasen (Sexagesimae)

 bwv 18 gleichwie der Regen und Schnee vom Himmel fällt

bwv 126 erhalt uns, Herr, bei deinem Wort



Heel vreemde associaties roept deze titel altijd weer bij mij op. Laten we uit de doeken doen hoe we dat moeten zien, die 'Leichtgesinnte Flattergeister'. Ik ga dat in dit verhaal proberen.


Opvallend: alweer een korte cantate, en opnieuw zonder openingskoor. Wie chronologisch luistert merkt dat dat in deze periode (februari 1724) vaker voorkomt. Is Bach druk met andere dingen? In april zal zijn Johannes Passion voor het eerst worden uitgevoerd. Mogelijk is Bach zelfs zo druk hiermee dat hij een eerder geschreven seculier werk (we weten niet welk) herschrijft tot deze kerkcantate. Er zijn aanwijzingen dat BWV 181 inderdaad een parodie is. Zo is het gebruik van één trompet in de instrumentatie typerend voor 'Kapelmeister Bach' zoals hij te werk gaat in het tijdperk Köthen. En ook dat duet in het slotkoor, hij doet zoiets in zijn Leipziger periode niet meer. 


Als deze cantate voor het eerst wordt uitgevoerd dan is dat hoogstwaarschijnlijk in een versie zonder dwarsfluit en hobo. Bach voegt voor latere uitvoeringen deze instrumenten toe. Bij de tenor aria staat het vast dat Bach daar oorspronkelijk een instrumentale solopartij (de z.g. obligaat-partij) bij heeft geschreven en dat die verloren is gegaan. De aria laat namelijk veel ruimte voor een obligaat-partij. We horen lang aangehouden noten van de solist die ruimte bieden voor obligate versieringen, we horen een continuopartij zonder muzikale motieven. Dat alles wijst duidelijk in die richting. In verschillende uitvoeringen wordt er dan ook een reconstructie van die partij toegevoegd. In de visie van Alfred Dürr is dat een viool want dat is volgend hem het instrument wat hier ontbreekt. Maar de meeste uitvoeringen kiezen een ander instrument; orgel, clavecimbel, hobo. 


En vervolgens de vraag; waar gaat deze cantate over, wat zijn in ‘s hemelsnaam ‘leichtgesinnte Flattergeister. We moeten voor een goed begrip de Bijbel ter hand nemen (of daar goed in thuis zijn) en lezen over ‘de gelijkenis van de zaaier’ (Lukas 8) waarbij Jezus ons uit de doeken doet op welke wijze het Evangelie wordt verbreid. Het evangelie is in die gelijkenis het zaad, verspreid door de zaaier. Maar er gaat veel van de boodschap (het zaad) verloren, het valt ‘an dem Wege’ waar het wordt vertrapt of het wordt door vogels opgegeten, op ‘Felsen’ (rotsen) valt het waar het niet kan wortelen, het valt onder ‘Dornen’ waar het ‘erstickt’ en tenslotte ook in ‘guten Lande’ in vruchtbare aarde dus waar het uit kan groeien. Zeer beeldend wordt alles wat de groei in de weg zou kunnen staan in deze tekst beschreven. Het geloof kan door wellust en door aardse schatten worden overwoekerd, er zijn mensen met een ‘hart van steen’ (Felsenherzen) waarin het geloof niet kan doordringen, er zijn mensen die, levend als in een real-life-soap op Kreta, slechts in oppervlakkigheid verkeren (Leichtgesinnte Flattergeister) waarbij het geloof niet beklijft. Misschien komt Belial (een andere naam voor de Duivel) daar wel voorbij. 


Hoor hoe Bach die oppervlakkigheid en impulsiviteit in de bas aria (1) laat horen. Een eindeloos herhalen van een simpel en nogal grillig motief zonder dat dit verder uitgewerkt wordt. Korte staccato noten zijn het in grote onderlinge intervallen. Springerig is het en het leidt nergens toe. Hiermee beeldt hij de 'leichtgesinnte Flattergeister' uit. Maar het woord 'Kraft' krijgt als contrast daarmee juist een lang aangehouden toon. In het tweede deel van deze aria gebruikt hij bij de tekst 'Belial' zeer karakteristieke harmonieën om dit personage kracht bij te zetten. Het altrecitatief (2), begeleid door cello en orgel (dan wel klavecimbel) begint vertellend, waarna het overgaat in een 'arioso': de instrumentale begeleiding krijgt nu een doorgaande, melodische lijn. Er ontstaat een instrumentaal-vocaal duet, waarbij Bach het thema leent uit de cantate 'Ich hatte viel Bekümmernis' uit 1713. In de tenor aria (3) horen we snelle noten die de flakkerende vlammen verbeelden die sterk contrasteren met de lang aangehouden toon op 'Ewigkeit'. Ook de prikkende doornen horen we terug in de repeterende noten. Het sopraanrecitatief (4) sluit aan bij de tekst van de tenoraria, echter Gods woord heeft nu vruchtbare grond gevonden en klimt omhoog tot een hoge A. Het opgewekte slotkoor, met in verschilllende voor - en tussenspelen een eigen rol voor het gehele orkest (inclusief een feestelijke trompetpartij), bezingt dat Gods woord bij ons in goede aarde mag vallen. In het middendeel zingen de sopraan- en altsolist een virtuoos duet, enkel begeleid door de continuogroep. Hierna wordt het koorgedeelte herhaald.


Een korte, weinig indrukwekkende cantate vind ik dit tot - bij Leonhardt - het slotkoor komt met werkelijk prachtige jongensstemmen, daardoor wordt het alsnog mooi. Maar dat trompetje doet er geen goed aan. Verrassend is dat duet in dat slotkoor, inderdaad ongewoon. De cantate als geheel vind ik niet meer dan een ‘tussendoortje’. De altaria komt bekend voor, uit die eerdere cantate dus. De Rilling-versie biedt daarna geen nieuwe inzichten. Wel nieuwe inzichten biedt de uitvoering van de Swaen in de Lutherse kerk, januari 2010. Wat een enorm verschil met de cantate die ik vanmorgen hoorde in de Wester (jawel, het is een drukke cantatedag). Alles klinkt hier puntig en direct, transparant. Klavecimbel en luit in plaats van orgel, wat maakt dat veel verschil. En de nieuwe tenor Robert Bucklandt is een aanwinst. Een prachtige sterke stem. En ook hier een heerlijk slotkoor.


Ja, en nu weten we dus wat het zijn, die ‘leichtgesinde Flattergeister’? De franse versie heeft het over ‘les esprits volages et frivoles’. Nou ja. Het gaat allemaal over onze medemensen. En welke associaties hebt u hierbij? Stuur uw inzending naar njohan@xs4all.nl. De volgende cantate is BWV 66 'Erfreut euch, ihr Herzen'.










cherso