Monogram Johann Sebastian Bach



andere cantates voor de twintigste zondag na Trinitatis

bwv 162 ach! ich sehe, itzt, da ich zur Hochzeit gehe

bwv 49 ich geh' und suche mit Verlangen




Bach heeft een levendige belangstelling voor nieuw ontwikkelde muziekinstrumenten en hij twijfelt niet of hij instrumenten, oude en nieuwe, zeldzame en alledaagse zal combineren in één en hetzelfde werk. Hij leeft in een tijd dat de cello er al is, die bestaat naast de viola da gamba die hij later zal gaan verdringen. Maar Bach wil hierover geen standpunt innemen, niet voor of tegen bepaalde instrumenten zijn. Hij heeft er nu juist plezier in, gevoelig als hij is voor instrumentaal koloriet, om ze naast elkaar te blijven gebruiken, ieder met hun specifieke expressieve kwaliteiten. De volheid en de power van de cello b.v. wordt in zijn tijd meer geschikt gevonden om onderdeel te zijn van de continuo-partij. Dat Bach nu juist een serie solosuites voor de cello schrijft bewijst eens te meer zijn avant-garde-spirit. En als hij specifieke harmonieën wil creëren met een solistische stem in een cantate dan maakt Bach zijn keuze altijd met veel onderscheidingsvermogen. Zo doet hij liever een beroep op de viola da gamba of de violoncello piccolo terwijl de cello dan meespeelt in de continuo partij. 

Die violoncello piccolo is slechts korte tijd populair in het begin van de 18e eeuw. Er wordt aangenomen dat het een kleinere versie van de cello is geweest, met naar boven toe een uitbreiding met een vijfde snaar zodat snelle bewegingen in het hoge register mogelijk worden. Mogelijk is dit het instrument waarop de zesde van Bach’s solosuites uitgevoerd  dient te worden maar we weten dat niet zeker. Hoe dan ook, Bach noemt uitdrukkelijk het gebruik van de violoncello piccolo voor de uitvoering van negen van zijn cantates, waarbij het instrument voorziet in een timbre dat zowel warm als delicaat kan zijn, geschikt voor het uitdrukken van zowel een teer als ook een mateloos groot vertrouwen. Bijvoorbeeld het vertrouwen dat de christen zou moeten voelen voor de Goede Herder. Acht van deze cantates waaronder BWV 180 stammen uit de tweede jaarcyclus die hij schrijft voor de Thomaskirche in 1724 - 1725. We mogen er van uit gaan dat onze cantor in deze periode een leerling heeft die dit instrument bezit en bespeelt maar zeker is het niet, er zijn geen documenten die hier melding van maken. Datzelfde geldt voor de identiteit van de virtuoze fluitist die Bach nu al wekenlang tot zijn beschikking heeft. In deze cantate is het tijdens de tenor-aria dat deze persoon uitbundig naar voren treedt. We weten dat er in deze periode een franse beroemdheid genaamd Buffardin verbonden is aan het orkest van Dresden. Hij zou bevriend zijn met Bach, hij zou in deze periode in Leipzig gelogeerd kunnen hebben. Mogelijk speelt hij vandaag mee in de Thomaskirche.

De cantate voor deze zondag is getiteld ‘Schmücke dich, o liebe Seele', eindelijk een keer een mooie titel voor een Bach cantate. Het ligt voor de hand voor welke ontmoeting onze ziel zich mooi moet maken. Ook nu weer is het een koraalcantate, gebaseerd op de gelijknamige hymne van Johann Franck. Muzikaal gezien heeft het werk veel affiniteit met een barokke dans-suite. We beginnen met een koraal-fantasie waarbij de hymne verwerkt is in de sopraanvocalen maar ritme en karakter zijn die van een gigue. Whittaker zegt van dit openingskoor dat het 'does not ascend to the supreme heights of the prelude' voor orgel met dezelfde naam. Maarten ‘t Hart is het met dat oordeel niet geheel eens: 

“Dat koraalvoorspel is ongetwijfeld één van Bach's meest diepzinnige ingevingen, maar dit openingskoor reken ik toch ook tot het allerbeste wat Bach componeerde. Het is weer zo'n stuk dat maar eindeloos doorgaat en waarvan je het na tien minuten desondanks doodjammer vindt dat het opeens blijkt te zijn opgehouden.”

Na deze opening volgt dan de tenor-aria met die virtuoze fluitpartij en deze aria is ook weer een dans; een bourrée. Hier is het de fluitist die de tenor meevoert in een aria waarin de Heer en de gelovige met elkaar verbonden zullen worden; ‘Dein Heiland klopft, ach, öffne bald die Herzenspforte!’ In het lyrische arioso wat hierna volgt weeft de sopraan een variant van de koraalmelodie door de werkelijk virtuoze figuren van de piccolo cello. De finale aria is wederom een dans, dit keer een polonaise. Harnoncourt herinnert ons eraan dat de polonaise in feite een trotse dans is met glijdende passen die met name gespeeld wordt bij de entree van de gasten op een feest waarbij ze op dat moment ook hun plaats krijgen toebedeeld. Er is niet veel voor nodig om dit beeld op te roepen bij het horen van deze uitbundige aria. 

 

Deze cantate bezit ik ook in een versie door Het Ensemble Baroque de Limoges o.l.v. Christophe Coin. Die uitvoering koop ik in Barcelona in 2000 nadat ik hem eerder dat jaar al in Frankrijk heb gezien. Tijdens deze vakantie schrijf ik er al over en ik verwacht daar in Barcelona dat dit mijn favoriete uitvoering zal blijken te zijn, die bijna etherische sfeer die dit alles hier oproept. Maar eenmaal thuis vind ik juist de Rilling-versie erg mooi, de prachtige orkestratie van het openingskoor, de fluiten, de sopraan-aria 'Liebe Sonne...' ik noem het een 'bijna-pronkjuweel'. Maar hoor ik weer later de Werner-opname dan ligt Coin ver achter want hij maakt van deze cantate een routinematige, vlakke, emotieloze serie stukjes. Houden dit soort uitvoerenden wel van deze muziek? John Eliot Gardiner zeer zeker wel, bij hem is zowel Christoph Genz als Magdalena Kozena heel erg op dreef. Zeer snel en toch indrukwekkend. Maar Kurt Huber maakt dat ik toch de voorkeur blijf geven aan Werner. Heel mooi.





 

 

Hierna volgt cantate 38 'Aus tiefer Not schrei ich zu Dir' >>