andere cantates voor de achtste zondag na Trinitatis

bwv 45 es ist dir gesagt, Mensch, was gut ist

bwv 136 erforsche mich, Gott, und erfahre mein Herz



Deze cantate is gebaseerd op de gelijknamige hymne van Justus Jonas (1524) waarbij de tekst een adaptatie is van de 124ste psalm. Van de acht strofes van de hymne zijn er zes ongewijzigd overgenomen. 

Net als in cantate BWV 177 wordt het openingskoor begeleid door een orkestpartij met een geheel onafhankelijke textuur, waarbij de koraalmelodie, gezongen door het koor, zin voor zin is ingeweven. De cantus firmus (de hoofdmelodie) komt tot ons via de sopranen die ondersteund worden door de hoorn. De tekst spreekt van de hypothetische situatie dat God ons moedwillig enige tijd overlaat aan andere krachten (een ‘razen van vijanden’) en we horen dan ook hoe de muziek in een voortdurend stromen en met een zeer complexe textuur steeds maar voortsnelt. Er zijn zeer levendige, zeg maar woeste illustraties van vijandelijke hordes die ons omringen en dreigen ons te verpletteren. Daartegenover staan de homofone passages van het koraal die staan voor de stabiliteit die de Heer ons biedt. Het feit dat de instrumentale thema’s steeds onveranderd blijven maakt dat deze sterk contrasterende muziek als geheel toch een eenheid vormt.

 

Terwijl deel 2 en deel 5 als overeenkomst hebben dat het beide koraalverzen zijn, beide met uitbreidingen door middel van geïntegreerde recitatieven, zijn deze twee delen toch totaal verschillend van elkaar. In 2 presenteert de alt solistisch de koraalmelodie in halve noten met daaronder een wringend contrapunt in het continuo, onderbrekingen zijn gezet als secco recitatieven. In 5 zijn die onderbrekingen verdeeld tussen bas, tenor en alt, de koraalzetting is vierstemmig dus eventueel kan daar het koor worden ingezet, en de continuopartij is gebaseerd op een geruststellend drieklankmotief.

 

Maar de feitelijke boodschap van deze cantate is vervat in die opwindende tenor-aria (6) die uiteindelijk na al die varianten van het choral volgt; hier wordt de ‘taumelnde Vernunft’ muzikaal verbeeld met eveneens 'taumelnde' muzikale figuren en syncopen en uiteindelijk geconfronteerd met de strenge oproep van de vromen;

 

'Schweig!' 

 

Maar die dramatische confrontatie brengt slechts tijdelijk wat kalmte in het adagio van het middendeel waar de luisteraar ‘mit Trost erquickt’ wordt dankzij een fermata.

 

 

Wat te zeggen van cantate 178? We zijn wellicht geneigd om alles van de ‘grote Johann Sebastian’ hogelijk te waarderen, maar kan het zijn dat hij ook zwakkere momenten heeft? Wellicht op dit moment in de zomer van 1724? Simon Crouch (van ClassicalNet) waagt het zich daarover uit te spreken en hij beschouwt deze cantate inderdaad als een zwak moment. Veel woorden heeft hij daarvoor niet nodig.

 

“The chorale cantata BWV 178, built around Justas Jonas' eponymous hymn, is something of a disappointment. Bach, the master of chorale harmonisation, seems to have been put off his stride by the awkward rhythm of the chorale tune (which is not so different in melody from some of the great chorales) and never seems at ease with his task. There's always a sense of a stubborn tune being pulled in the wrong direction! The cantata opens with vigorous call to arms (unusually, in this context, not featuring trumpets) with strongly dotted rhythms and sweeping semiquavers. This is followed by a chorale interpolated by the alto soloist's commentary. The bass aria that follows is the most memorable part of the cantata: An excellent string introduction and accompaniment to a vocal line that, apart from a few inspired phrases, seems to just "fit in" with the instruments. Perhaps the instrumental parts came from a previously composed piece? Another hymn verse follows, this time rhythmically sung by the tenor over an ostinato accompaniment. And then another! By this time, the chorale settings are beginning to wear a bit thin. The final aria for tenor is pleasantly unmemorable and the cantata closes with a straightforward (and fully successful) chorale setting. Visit this cantata for the bass aria only."

 

Copyright © 1996 & 1998, Simon Crouch.

 

Tjaaah Simon, dat is ferme taal! Je vind dus dat er, als er strijd geleverd moet worden trompetten bij horen. We horen ze niet en het is dus niet overtuigend. We worden wat verveeld, zeg je dan,  door het steeds maar terugkerende koraal. Het is allemaal nogal dunnetjes en als we toch nog iets van deze cantate willen beluisteren dan volstaat de bas-aria. 

 

 

Is het hierna nog mogelijk om een enthousiaste luisteraar te vinden? Er zijn geen commentaren te vinden over deze cantate, dit werk is de laatste vijf jaar in Nederland niet uitgevoerd. En Vestdijk, ‘t Hart, ze zwijgen in alle talen hierover. We moeten uitwijken naar de website van Julian Minchham. En die heeft wel heel veel woorden nodig want hij besteedt maar liefst 5 1/2 pagina om hier e.e.a. te beschrijven. En hij begint aldus

 

What a cracking opening chorus! 

 

Een heel andere zienswijze dus. Hoe verschillend kunnen we oordelen over zo’n werk. Wie de grondige analyse van Julian in z’n geheel tot zich wil nemen die klikt onder aan deze pagina even verder. Maar ik sta zelf toch iets dichter bij Simon Crouch. Want hoe luiden mijn eigen notities over dit stuk? Dat, bij het luisteren naar Harnoncourt de gemeente - maar ook de hedendaagse luisteraar - weinig rust gegund wordt. Op zich is dat niet erg als daar een flinke strijd geleverd wordt. Maar moet het dan zo snauwerig zijn, zo verbeten die zang in dat openingskoor. Het houterige zingen lijkt ook op de solisten over te slaan. Nee, niet mooi. 

 

Rilling dan? Rilling biedt uitsluitend mechanische klanken zonder enige ontroering. En ook Richter brengt ons zo’n eikenhouten beginkoor maar dan, vanaf de bas-aria transformeert bij hem deze cantate naar een wat andere stemming en de muziek gaat alsnog wat bewegen. Blijkbaar is een zo prachtige en wendbare stem als die van Fisher-Dieskau nodig om dit alles tot z’n recht te laten komen maar ook het orkest doet mee en we horen die ‘Wellen’ inderdaad stromen. Nee, dit hebben we nog niet eerder zo gehoord. Keren we terug naar Harnoncourt dan is daar de 'opwindende' tenor-aria (‘Schweig, schweig...’) juist heel bijzonder; een welhaast experimenteel stuk is het geworden dankzij de authentieke instrumenten. Wonderlijke klanken horen we hier en het is prachtig. Het is inmiddels duidelijk; het meerdere keren luisteren, verschillende uitvoeringen horen, het kan bij een cantate die niet direct aanspreekt toch tot een soort van waardering leiden. Jawel Simon.








hier Julian Mincham >>  wie chronologisch luistert: cantate 94 >>  de cantates