ook voor Trinitatis  bwv 165 O heilges Geist- und Wasserbad


bwv 194 höchsterwünschtes Freudenfest


bwv 129 gelobet sei der Herr, mein Gott




De opening van deze cantate is nogal ongewoon. Het neemt de luisteraar volledig bij verrassing, en dit effect moet nogal treffend zijn, zeker voor de argeloze kerkganger die de dienst van de Trinitatis in 1725 bijwoont. Hoe begin je een muziekstuk wat geschreven is voor zowel stemmen als voor instrumenten? Dat is altijd een riskante aangelegenheid geweest voor de componist. Moet men de luisteraar wat voorbereiden door het karakter van een compositie eerst weer te geven? Kan een potpourri van mooie melodieen en treffende motieven de juiste stemming teweegbrengen? Of moet het publiek erin getrokken worden met meer suggestieve middelen? 


Achteraf weten we het eigenlijk wel. Van Monteverdi tot Wagner, van Mozart tot de hedendaagse componisten; de inmiddels gebruikelijke methode om een vocaal-instrumentaal stuk te beginnen met een puur instrumentale introductie faalt nooit. En Bach gebruikt die methode ook. Bijna al zijn vroege cantates zoals BWV 4, 12, 21, 106, 131 of 150 beginnen met z.g. sinfonias, instrumentale stukken die de stemming voor het komende muziekstuk bepalen. Maar deze cantate, BWV 176 begint met een vocale fuga, maar dan wel direct zonder instrumentaal voorspel. Het drieklank-motief klinkt 'gewaagd' precies zoals de tekst dat ook treffend aangeeft. 


‘Es ist ein trotzig und verzagt Ding um aller Menschen Herze.’


De strijkers begeleiden het met obligate drieklanken. Vervolgens duiken deze geleidelijk onder in het diepe terwijl het fuga-thema in de bassen zich verheft tot Des groot, de verminderde c klein. Samen met de strijkers maakt dat een pijnlijk akkoord. Via een kronkelende chromatiek wordt de 'uitdaging' uiteindelijk tot 'verlegenheid', precies zoals de tekst voorschrijft. Dit effect wordt geintensiveerd in alle vier de stemmen en we horen gewaagde sprongen maar ook passende octaaf intervallen op de tekst 'alle Menschen'. Een hoogst ongewoon stuk muziek is dit! Slechts in een paar van zijn cantates kiest Bach ervoor om zich zo rechtsstreeks tot de luisteraar te wenden. Dit komt verder alleen voor in de cantates 19, 50, 64, 144, 171 en 179. Allen beginnen met een vocale fuga, allen belichten ze zo de evangelielezing voor die dag. Maar 'Es ist ein trotzig und verzagt Ding' profiteert wel heel speciaal van dit effect. Bach, die een groot gevoel heeft voor ingenieuze ideeën en dramatische effecten gebruikt dit om speciale aandacht te vragen voor zijn muziek bij de preek van deze zondag.


Bach schrijft cantate 176 voor 27 mei 1725, de zondag na Pinksteren waarop het feest van de heilige drieëenheid (God de Vader, Zoon en Heilige Geest) wordt gevierd, Trinitatis; daarmee begint het vrijwel feestloze tweede deel van het kerkelijk jaar. Dit is ook de dag waarop Bach twee jaar eerder zijn wekelijkse cantateproduktie begint, direct na zijn indiensttreding als Thomaskantor. Zo besluit BWV 176 dus Bach’s eerste twee dienstjaren waarin hij wekelijks een cantate componeert. Vanaf dit moment zal hij het wat rustiger aan gaan doen: hij halveert zijn tempo en doet ongeveer twee jaar over zijn volgende jaargang.


Ook gedenkwaardig; de korte samenwerking met de Leipziger dichteres Christiane Mariane von Ziegler wordt met deze cantate beëindigd. Von Ziegler geeft zelf te kennen, in haar eigen publicaties, dat Bach op vele plaatsen kleine wijzigingen in de tekst aanbrengt. Geeft dat frictie? Waarschijnlijk wel. Musicologen hebben deze aanpassingen onderzocht en geconstateerd dat er door de wijzigingen onhandige en moeilijk zingbare woordafbrekingen ontstaan of dat zinswendingen juist stroever worden. We mogen aannemen dat Bach slechts muzikale overwegingen heeft, dat het ten koste gaat van grammaticaliteit is voor hem van geen enkel belang. Verbazingwekkend is het toch wel want we weten hoezeer hij altijd vanuit de tekst componeert. Of het nu gaat om een tekst over stromend water, het voortgaan van de christen, een kronkelende slang, het wordt alles minutieus uitgebeeld in muziek en toch... Zoveel betekenen die teksten voor Bach blijkbaar niet. Integendeel, hij is zeer kritiekloos op dat punt want de teksten die hij op muziek zet zijn doorgaans ten hemel schreiend miserabel. Schweitzer zegt:


‘Zijn teksten waren formeel gezien zo weinig geschikt om op muziek te zetten als maar denkbaar is.'


Schweitzer formuleert het nog vriendelijk. Uit verdere Bach-literatuur klinkt een vreselijk gehuil op over de erbarmelijke kwaliteit van de door Bach gebruikte teksten, of om het in de woorden van één van hun te zeggen, over ‘de als smakeloos beschouwde bar en boze kerkteksten.’ De meest krasse uitlating in dit opzicht stamt van Hubert C. Parry die over Bach’s tekstdichters opmerkt: ‘Nauwelijks beter dan kreupelverzen was het wat ze hem aanleverden.’ Reeds Zelter klaagt in een brief aan Goethe over de ‘volslagen misdadige Duitse kerkteksten’ en meent dat die een ‘hinderpaal voor de receptie van zijn werk vormen.’ Elders spreekt hij over de elk begrip te boven gaande smakeloosheid van de meeste kerkteksten uit die tijd die je ‘negeren, veroordelen en tegelijkertijd weer bezitten moet om hem werkelijk te vereren.’ Een uitzondering is Günther Stiller die welliswaar eerst zegt dat er vele teksten zijn die voor ons ‘wel altijd vreemd en van tijd tot tijd aanstootgevend zullen blijven’ maar deze opmerking dadelijk laat volgen door: ‘Anderzijds bestaat er geen twijfel over dat Bach’s cantateteksten ons vandaag de dag niet als absolute, enkel en alleen op hun tekstuele kwaliteit te beoordelen dichtwerken interesseren of begrepen willen worden, dat ze zelfs wanneer je hun bijbelse en liturgische gebondenheid consequent in aanmerking neemt, al veel van hun vreemde en aanstootgevende karakter hebben verloren en je steeds weer kan instemmen met het al in 1845 door Theodor Mosewius uitgesproken oordeel: 


'Wie er eenmaal mee vertrouwd geworden is, stoort zich niet meer aan de stijl van de taal.'


Bent u al in dat stadium beland? Hoe dan ook, wellicht is de nu beëindigde periode van samenwerking met Cristiane Mariane von Ziegler nog niet eens zo beroerd geweest, althans in tekstueel opzicht. We gaan het zien met wat er nu volgt, dat is cantate BWV 168 Tue Rechnung! Donnerwort.


Geraadpleegde bronnen: Andreas Bomba/Maarten ‘t Hart