een andere cantate voor de Derde Pinksterdag


bwv 184 erwünschtes Freudenlicht



Een cantate bedoeld voor de derde Pinksterdag, de ‘Pinksterdinsdag’ dus uit de tijd dat e.e.a. nog zeer grondig gevierd werd.

 

Blokfluiten, die horen we niet zo vaak. Maar liefst drie. De tekst van Christiane Mariane von Ziegler is dit keer gebaseerd op de gelijkenis van de Goede Herder, de schapen kennen zijn stem en ze volgen hem. Net als in andere cantates op von Zieglers teksten toont Bach ook hier een neiging naar zeer virtuose instrumentale begeleidingen. De pastorale sfeer wordt sterk benadrukt door de instrumentatie met die blokfluiten en door het siciliano ritme.

 

De cantate begint met het derde vers uit het evangelie voor deze dag (Johannes 10, 1-11), een kort recitatief gezongen door de tenor. 

 

De alt aria die dan volgt heeft wel - dankzij de blokfluiten - een pastorale sfeer maar toch, de keus voor die nogal zwaar beladen E mineur toonsoort is verrassend. Het zal ingegeven zijn door wat hier beschreven wordt, het verlangen, het hunkeren zelfs naar de Elysische velden. Bach meent blijkbaar dat de tekst vraagt om deze zwaarmoedige toonsoort en hij voorziet de muziek ook nog van neergaande - en van seufzer motieven. 

 

Dan opnieuw een recitatief. Bach is, dat nemen we tegenwoordig aan, eigenlijk helemaal niet zo gecharmeerd van de teksten van Mariane von Ziegler, maar soms werkt haar passie blijkbaar toch aanstekelijk. Die uitroep in het begin ‘Waar zijt Gij?’ en ‘Waar verbergt U zich?’, in muziek vertaald klinkt het verontrustend. Maar in de laatste twee maten veranderd die stemming volledig. Op de valreep wordt ons gemeld dat de dageraad van de langverwachte dag aanbreekt en voila, daar is de componist Bach weer met zo’n  typische ‘lastminute-U-bocht-constructie’. Mineur wordt majeur en we schakelen pijlsnel naar C, de toonsoort van de tenor aria die hierna zal volgen.

 

In die aria (4) wordt de pastorale sfeer met de blokfluiten gehandhaaft. De nieuwe dag is aangebroken en de stem van de Goede Herder wordt herkent maar het is de vraag of daarmee ook alle twijfel is verdreven. De tenor probeert zichzelf te overtuigen. En hij doet dat op eerder getoonzette muziek. Want wat we horen is een parodie (een bewerking) van een aria uit BWV 173a 'Durchlauchster Leopold' (geschreven ter ere van de prins). Voor deze aria is de door Bach bewonderde violoncello piccolo nodig. Die doet vrolijk mee in wat in wezen een bourrée is, dit keer in cantate-vorm geperst. Maar die korte tekst van von Ziegler geschikt maken voor die omvangrijke aria, het is eigenlijk niet gelukt en we horen het. Dit klinkt geforceerd. Er wordt wel gedacht dat ook de alt aria een bewerking van een bestaand werk moet zijn omdat deze ook nogal geforceerd aandoet. Hoe het ook zij, het is duidelijk dat Bach in deze periode vaker zijn toevlucht neemt tot het recyclen van eerder werk. Het kan een teken zijn dat hij moe is, zijn interesse verliest in het genre, probeert bij te blijven met de onmogelijke deadlines die hij zichzelf stelt of misschien ondervindt hij moeilijkheden in het werken met deze nieuwe tekstschrijver. Misschien is het een combinatie van al deze redenen.

 

Bij wijze van contrast met de beide voorgaande aria’s becommentarieert hij vervolgens Jezus’ overwinning over duivel en dood in de bas-aria (6) met dit keer twee trompetten. 

 

Het finale koraal is opnieuw een bewerking, nu van cantate 59 waarbij de strijkers vervangen worden door de blokfluiten. Dit is een van de langste, tevens een van mooiste koralen uit zijn repertoire. De tekst spreekt over het willen volgen, maar ook over de onmogelijkheid om dat te doen zonder hulp.

 

‘Uw woord is mij als de morgenster’

 

Drie blokfluiten ondersteunen de harmonieën in het koor maar wel een volle octaaf hoger, een mystiek effect geeft dat. 

 

 

Als we alle cantates van Bach willen kennen dan willen we ook deze kennen, BWV 175. Voor deze beschrijving heb ik Julian Mincham geraadpleegd die in zijn beschouwing nogal enthousiast is maar ik heb mijn twijfels. Is het niet enigszins een doorsnee werk en doet het niet wat geforceerd aan? Ik denk het.  

 

Natuurlijk kunnen we elke cantate redden met een goede uitvoering en dat gebeurt dan ook bij Rilling. Er wordt leuk gespeeld, al die instrumenten, de blokfluiten, trompetten, alles wat hier uit de kast gehaald is, jawel, het klinkt heerlijk. En tenor Peter Schreier daar knappen we van op. Hij zingt trouwens ook bij Karl Richter maar hier komt hij tot grotere hoogte. Peter Schreier redt deze cantate. 







                  











>> hierna volgt cantate 176