Monogram Johann Sebastian Bach



andere cantates voor de tweede pinksterdag

bwv 173 erhöhtes Fleisch und Blut

bwv 68 also hat Gott die Welt geliebt




Het is voorjaar 1729 en Bach kan een nieuwe periode in zijn leven tegemoetzien als hij de leiding krijgt van het stedelijke ‘Collegium Musicum’ waarmee hij een periode van zes moeilijke jaren bij de sterk hiërarchisch georganiseerde school van st. Thomas kan afsluiten. Dat hij nu een Brandenburgs Concert inlijft bij, en herschrijft voor zijn laatste cantate heeft niets te maken met tijdsdruk. Integendeel. Feit is dat hij nu een nieuwe groep goedgekwalificeerde musici tot zijn beschikking heeft, musici die geen onderwerp zijn van gemeentelijke manipulatie en het is begrijpelijk dat hij hun kwaliteiten wil demonstreren. Niet alleen op een woensdagavond in de tuinen van Zimmerman’s café maar ook, nee juist, op het voornaamste podium van de stad; zijn eigen st. Thomas Kirche en wel op een zondagochtend.


Het lijkt erop dat Bach tegen zijn kopiïst heeft gezegd de originele Brandenburgse noten over te schrijven voor negen solostrijkers (violen, altviolen en celli) in een nieuw arrangement. Dat alles vormt op deze wijze een concertino groep die nu door hem geplaatst wordt tegen een nieuw en daarvan volkomen onafhankelijk ripieno ensemble waarin twee hoorns, drie hobo’s en vier verdubbelende strijkerspartijen meespelen. Zelfs met slechts één instrument per partij en met de toevoeging van altviool, fagot en continuotoetsen heeft hij nu plotseling de beschikking over een een orkest van meer dan 20 musici - helemaal geen onaanzienlijke slagorde is dat en zeker één die een nieuw - gevonden glans en kracht verleent aan dat originele concertdeel. Wat een heerlijke manier om de feestelijkheden voor de Pinkstermaandag te openen.


Bijzonder is dat Bach erin slaagt deze indrukwekkende opening in balans te brengen met een aria van (bijna) gelijkwaardige dimensies. Een warm, pastoraal stuk van een indrukwekkende sereniteit voor alt met twee hobo’s, waarbij hij op een bepaald punt zijn materiaal weet te comprimeren op een wijze die je doorgaans alleen bij Beethoven ziet. Zowel in het nu volgende recitatief als ook in de bas-aria zijn onderdelen van de eerste violen uit het 3e Brandenburgs Concert bewaard gebleven. En dan kiest Bach tenslotte voor het koraal wat ook de Johannes Passion besluit. Het markeert voor hem het einde van een periode en hopelijk een begin met nieuwe ambities en nieuwe mogelijkheden.


En hoe is je eerste reactie als je voor ‘t eerst die Harnoncourt-versie hoort?


"Wat een mooie opening! Het blijft natuurlijk een wonderlijk verschijnsel om hier het 3e Brandenburgs concert te horen (mijn favoriet) maar het wordt mooi -statig- gespeeld. En het is juist een ‘verder aangeklede’ versie met vele toevoegingen b.v. in de hoorns waarmee deze wereldse muziek nu door Bach de kerk wordt binnengebracht. De twee aria's voor alt en bas zijn (vooral bij Rilling) helemaal niet onaardig. De bas-aria valt bij Harnoncourt op als een mooi stuk, heerlijk is dat, die imiterende violen. En zelfs het slotkoor klinkt mooi. Een, ook door zijn onbeholpenheid, ontroerende en frisse uitvoering. Eindelijk is hier weer eens een pleidooi voor de Harnoncourt-manier van musiceren, een rechtvaardiging is dat voor het project”.


Als ik later in Venetie de aria’s van Gardiner hoor ben ik er niet weg van. En thuis vind ik het nog steeds niet mooi en die prachtige opening wordt door hem veel te snel gespeeld. Misschien is de acoustiek in de kerk daar debet aan maar nee, het klinkt ook niet puntig en het komt niet aan.



Bronnen: John Eliot Gardiner/Wikipedia











Een concertino is een kleine groep solisten binnen een barok-orkest in een concerto grosso. Kenmerkend is de afwisseling tussen het grote orkest (het concerto grosso) en het kleine orkest (het concertino). Dit in tegenstelling tot het (solo) concerto, dat doorgaans voor één solist met orkest werd gecomponeerd.


Ripieno (Italiaans: volledig) is een uit de 18e eeuw daterende aanduiding voor het volledige orkest (tutti) in een concerto grosso, het volledige orgel ('organo pleno'), alsook in het algemeen voor alle meervoudig bezette stemmen die in tegenstelling tot de solisten stemmen staan; ook als aanduiding binnen de koorwereld. Onder ripiënisten worden verstaan dienovereenkomstige orkestmusici of zangers zonder solistische taak.






de cantates de cantates de cantates de cantates cantates de cantates nu bwv 120