andere cantates voor de tweede pinksterdag

bwv 174 ich liebe den Höchsten von ganzem Gemüte

bwv 68 also hat Gott die Welt geliebt


Waarom eigenlijk kunnen muziekwetenschappers, luisteraars, christenen, zich zo boos maken over het feit dat Bach leentjebuur speelt bij zichzelf? Alsof deze praktijk per definitie een verwerpelijke vorm van plagiaat zou zijn. Waarom kan  muziek, gewijd aan prinsen en hertogen, niet evenzeer gebruikt worden als eerbetoon aan de Allerhoogste?

 

Hier is dan weer een van die werken waaruit blijkt dat Bach dat kan; zowel eer bewijzen aan een prins (voor een verjaardag bijvoorbeeld) als ook aan de Allerhoogste. De muziek - zijn muziek - is nu juist bedoeld om de scheidslijn tussen wereldse en goddelijke glorie te overbruggen. Elke heerser oefent op eigen terrein een autoriteit uit waar geen vraagtekens bij kunnen bestaan. Dat is een basisgedachte van het Lutherse geloof en het is tevens een opvatting die Bach, wiens nominatie als Thomaskantor voornamelijk te danken is aan de Absolutistische Partij in de gemeenteraad, gemakkelijk kan onderschrijven. En ja, het is toch ook heel gemakkelijk in te zien dat Bach gelegenheidsmuziek als deze veel te goed vind om zo maar weg te doen, zeker als er een grote werkdruk is. Pinksteren wordt in Bach’s tijd nog gevierd gedurende maar liefst drie dagen. En aangezien elke Pinksterdag weer nieuwe muziek eist kunnen we stellen dat dit opnieuw een voorbeeld is van Bach’s economische manier van werken.

 

En zo kan een verjaardagscantate, geschreven in 1717 voor prins Leopold van Anhalt-Köthen, in mei 1724 dienst doen als kerkcantate voor het Pinksterfeest en wel met minimale aanpassingen. De hele tekst wordt geparodieerd met weglating van twee delen, te weten 6 en 7. In de recitatieven zijn vocale partijen veranderd, koorgedeelten zijn wat gecomprimeerd en er zijn instrumentale delen in het slotdeel toegevoegd. De wereldse muziek klinkt er echter steeds in door en er is dan ook geen enkele muzikale symboliek in de cantate te vinden. Zoals bij veel muziek uit Köthen zijn de meeste onderdelen (vier van de zes) door dans geïnspireerd of van dans afgeleid, alleen de recitatieven (1 en 5) niet. En zo veranderd dan hier de aanduiding ‘Durchlauchster Leopold’ in ‘Erhöhtes Fleisch und Blut’ waarbij het ritme behouden blijft maar de melodische lijn enigszins gewijzigd. En verder is Bach’s  taak dan heel eenvoudig: alle vermeldingen van Leopold moeten eruit en referenties aan het Evangelie, het neerdalen van de Heilige Geest, de dankbaarheid die wij daarbij voelen, dat komt er voor in de plaats. De slimste wijziging zien we in het duet (4) waar de verwijzing naar Leopold’s ‘purperen mantel’ waar stadgenoten een schuilplaats kunnen vinden  wordt gewijzigd in ‘God houdt zo van de wereld’ waarbij beide teksten hierin uitmonden dat we ‘mogen genieten van zijn genadegaven / die vloeien als overvloedige stromen’. Dit is ook muzikaal gezien wel het meest originele deel van deze cantate. Een onschuldig menuet in G voor de strijkers levert een thema voor de bas (strofe 1), beweegt zich opwaarts modulerend naar een andere toonsoort (D) daarbij een paar fluiten meenemend om dan bij de sopraan uit te komen (strofe 2) waar het verder opbloeit om uiteindelijk in A groot te eindigen voor een finaal duet. 

 

Het origineel van deze cantate vind ik - laat ik het maar ronduit zeggen - een vrij zouteloze aangelegenheid en wat zou Bach hiervan dan in een parodieversie kunnen maken? Een korte cantate wordt het, die volgens mijn eerste (en ook mijn latere) aantekeningen maar weinig indruk maakt. Hij komt ook voor op de Pinkster aflevering van Gardiners Cantata Pilgrimage die ik meeneem op mijn vakantie naar Venetië. Ik schrijf erover in mijn vakantiedagboekje. Kom dan tot de conclusie dat deze cantate niet zo vaak zal worden uitgevoerd. Weinig aansprekende muziek, een plechtstatig geheel, de Bach waar ik niet zo van hou. Even maar wordt het enigszins ontroerend, daar waar in het duet de sopraan het van de tenor overneemt. Het zijn maar korte momenten temidden van al die plechtstatigheid. Bij het luisteren naar Rilling wijzigt het oordeel enigszins. Die hele aria voor sopraan en bas klinkt hier prachtig. Maar vervolgens worden de slotdelen door Rilling wel weer heel wonderlijk uitgevoerd.

 

Dit is trouwens de eerste cantate die ik live op een zondagmiddag in Amsterdam in de Oude Lutherse kerk hoor. Misschien ben ik wel net zo onder de indruk van het prachtige gebouw aan het Spui als van de muziek, een mooie middag is het en er zullen er nog vele volgen.


Wie meer wil lezen over het z.g. 'Parodieverfahren' van Johann Sebastian Bach die leze hier het artikel hierover van Maarten 't Hart.










en de volgende cantate is BWV 184  >>   de cantates de cantates de canta