Monogram Johann Sebastian Bach






 andere cantates voor Eerste Pinksterdag

bwv 74 wer mich liebet, der wird mein Wort halten

bwv 34 o ewiges Feuer, o Ursprung der Liebe

bwv 59 wer mich liebet, der wird mein Wort halten




Pinksteren is voor ons de culminatie van die ‘geweldige vijftig dagen’ volgend na de opstanding, een waterscheiding is het die het werk van Jezus op deze aarde completeert en tevens markeert het de komst van de Heilige Geest. 

 

Maar het is toch wel heel treffend dat Pinksteren van origine een feest van agrariërs is, één van die feesten van Kanaän die de Israellieten overnemen als ze in het beloofde land arriveren. En als Paulus dan spreekt over Christus als over de ‘eerste vrucht’ dan maakt hij in feite een gewetensvolle zinspeling op het joodse feest Sjavoeot, immers, de eerste vruchten van de nieuwe oogst worden met Pinksteren aangeboden. 

 

Natuurlijk, in Saksen vindt de oogst een paar maanden later plaats als in Palestina, maar dit is niettemin een tijd van toenemend licht en belofte, een uitgelezen moment voor de kerk om te refelecteren op de betekenis van Christus’ incarnatie en het hernieuwen van zijn eeuwenoud verbond. Luther (hij baseert zich op zijn favoriete evangelieschrijver Johannes) lanceert het idee van een Heilige Geest die nieuw leven brengt aan de mensheid en Bach brengt vaak in zijn immers 'seizoens gebonden cantates' allerlei voor-christelijke aspecten en vergeten connecties aan het licht die het verloop van het agrarische jaar weerspiegelen. En nu de zomer nadert komt hij met zuiver optimistische muziek. Het is alsof hij met deze uitbundigheid niet alleen de gaven van een opnieuw ontwakende natuur wil vieren maar ook die miraculeuze ontsteking van de goddelijke Pinkstervonk die mensen in staat stelt om te communiceren buiten hun taalbarrieres om.

 

BWV 172 is bedoeld voor Pinksteren 1714 in Weimar. Maar Bach maakt nog minstens drie andere versies van deze cantate, bedoeld voor andere gelegenheden. De librettist van de cantate blijft ongenoemd, maar algemeen wordt aangenomen dat het Salomo Frank is geweest. Dit gezien het ontbreken van vrije recitatieven; het enige recitatief wat in de cantate voorkomt is ontleent aan een letterlijke bijbeltekst.

 

Timpanen en trompetten symboliseren Gods koningsschap in het schitterende openingsdeel. Het bas-recitatief (de woorden van Christus) wordt gevolgd door de aria 'Heilige Dreieinigstkeit' met een symbolische instrumentatie (een zeldzame combinatie bij Bach) van drie trompetten, timpanen en basso continuo die de bassolist begeleiden. Zijn vocale figuren zijn geheel afgeleid uit die van de heraldische trompetpartij. Na het zwaarwichtige van deze aria lijkt de delicate tenoraria 'O Seelenparadies' met dat kalme waaien van unisono strijkers losgemaakt te zijn van die krachtige ernst. Hier wordt verbeeld een dromerige evocatie van een paradijs voor zielen, de adem van Gods geest is voelbaar aanwezig. Nee, het is zeker niet zozeer een sterke Pinksterwind die we hier horen maar eerder is dit het moment dat God in Adam’s neusgaten de adem des levens blaast. En de cantate die zo groots begint met een feestelijk, in het openbaar gezongen openingskoor wordt steeds persoonlijker in de zich evoluerende relatie van God met de mens, de Heilige Geest die ronddwaalt en leiding geeft binnen de ziel van de gelovige. De Trooster, aangekondigd door de tenor heeft zich nu met de ziel neergelegd en hun dialoog (5) is beeldend vervat in een erotisch/piëtistische taal. Het is een hoogst overladen, sensueel muziekstuk waarin de beide stemmen verstrengeld zijn boven een obligate cello partij maar waaraan dan nog even een vierde stem wordt toegevoegd waarin - maar dat is slechts voor de zeer oplettende luisteraar - het Pinksterkoraal  'Komm heiliger Geist' herkent kan worden.

 

Maar lang niet alles uit deze cantate waardeer ik steeds als even mooi. De basaria wordt bij Leonhardt volledig overstemd door de trompet. En het duet tussen de twee mannen zal opzienbarend geweest zijn destijds, maar ik vindt het nogal gekunseld aandoen. Er zijn nu zelfs twee versies van deze cantate met The Monteverdi Choir/The English Baroque soloists (en John Eliot Gardiner natuurlijk). Die eerste is de topuitvoering. Niet eerder is de tenoraria 'O Seelenparadies' opgevallen maar wat wordt die prachtig gezongen door Christoph Genz (bij beide uitvoeringen). Daarna horen we een vrouw èn een man in het duet, bij de tweede uitvoering klinkt dat zeer teleurstellend nl. een zeer ‘geknepen’ stem. Hoe het met vrouwen klinkt? Bij Rilling is dat heerlijk, dat orgeltje erbij. En dat koor zingt ook zo uitgelaten! Er komt nu twijfel welke de mooiste is.

 


 

 










 

woordenlijst:

 

Sjavoeot - ook gespeld als Sjawoe'ot of Sjawoeoth, is het joodse Wekenfeest dat zeven weken na Pesach wordt gevierd. 

Oorspronkelijk was het het feest waarop de 'eerstelingen' van de oogst (datgene wat het eerst wordt geoogst) aan God werden geofferd (Sjavoeot is van oorsprong een oogstfeest), maar later werd dat de herdenking van het verkrijgen van de Thora (de wet, met name de Tien Geboden) op de Sinaïberg; dit wordt Matan Tora (geven van de Thora) genoemd. Volgens latere joodse verklaringen is het proces van het ontvangen van de Thora toen echter pas begonnen en is dat een continu doorlopend proces.

Vanwege het centraal stellen van de Thora bestudeert men tijdens dit feest de Thora plus allerlei commentaren daarop. Het is gebruikelijk om op de eerste nacht van Sjavoeot de gehele nacht wakker te blijven en in de synagoge of beet midrasj te leren tot de ochtend en dan vroeg sjachariet te gaan bidden. Voor deze nacht is een speciaal leerprogramma beschikbaar dat elk jaar op die nacht wordt beoefend; het bestaat uit bepaalde selecties uit de Talmoed. Dit leerprogramma heet de 'orde van de nacht van Sjavoeot' (tikkun leil shavuot). Daarnaast is het gebruikelijk om melkproducten te nuttigen zoals kaas.

Tijdens sjachariet worden extra gebeden gezegd waaronder het Aramese Akdamut en wordt er uit de Thora gelezen: op de eerste dag Exodus 19:1-20:23, en op de tweede dag Deuteronomium 14:22-16:17. De maftir leest op de eerste dag Numeri 28:26-31, en de haftara is op de eerste dag Ezechiël 1:1-18 en 3:12. Op de tweede dag leest de maftir hetzelfde als op de eerste dag, maar de haftara is dan Habakuk 2:20-3:19. Verder wordt het boek Ruth gelezen waarmee men ook de relatie met het oogstaspect van dit feest wil aangeven.

Na Sjavoeot zijn huwelijken weer toegestaan, mogen mannen zich weer scheren en mag er weer naar instrumentale muziek worden geluisterd. 



  

  de volgende cantate is BWV 21 >>  de cantates de cantates de cantates de ca