andere cantates voor nieuwjaarsdag  lobe den Herrn, meine Seele BWV 143

singet dem Herrn ein neues Lied BWV 190

  Jesu, nun sei gepreiset BWV 41

Herr Gott, dich loben wir BWV 16



Deze komt uit Picander’s cantate collectie gedrukt in 1728 en is bedoeld voor Nieuwjaarsdag 1729. Uit de feestelijke bezetting met trompetten en slagwerk valt af te leiden dat deze dag hier nog als een kerkelijke feestdag word beschouwt. Van deze cantate is een mooie kopie bewaard gebleven die ons inzicht geeft in de manier waarop Bach componeert.

 De tekst van het openingskoor is afkomstig uit de achtenveertigste Psalm:

‘Gelijk Uw Naam is, o God! alzo is Uw roem tot aan de einden der aarde’

Zonder enige instrumentale inleiding is het aan de tenoren om als eerste aan te treden in deze koorfuga. Het thema wordt voornamelijk gekenmerkt door die levendige opwaartse sprong op 'So!' gevolgd door een kwartnoot rust. Toch, ondanks alle uitbundigheid, is er iets ouderwets en iets motet-achtigs in de manier waarop de fuga zich dan ontvouwt met colla parte strijkers en verdubbelende hobo's. Maar na drieëntwintig maten brengt Bach de eerste trompet in met een schitterende variant op het thema en de muziek krijgt daar opeens een nieuwe glans en lijkt naar voren gestuwd te worden als was het naar een ander tijdperk met de vaste wil ons te overtuigen van Gods allesomvattende heerschappij en macht.

 Neumann meldt ons dat deze muziek waarschijnlijk niet nieuw is - een grootschalig, instrumentaal gedacht werk ligt ten grondslag aan zowel dit koor als ook aan de latere omzetting van deze muziek op de woorden 'Patrem omnipotentem', een onderdeel van het Credo uit de beroemde h-moll mis. Hergebruik door de componist, efficiënt en ook een blijk van tevredenheid over zijn werk.

Picander, Bach's meest betrouwbare leverancier van cantate- en Passieteksten, is de auteur van de volgende vier delen. De eerste aria, voor tenor met twee in elkaar grijpende hoge instrumenten (niet gespecificeerd, maar waarschijnlijk zijn violen bedoeld), is gestructureerd als een kwartet en tovert een heerlijk beeld van 'witte wolkenbanieren die langs de hemel trekken' (Schweitzer).

 De tweede aria, dit keer voor sopraan en soloviool (4) is 'geparodieerde' muziek, een toon omlaag gebracht, afkomstig uit een eerdere seculiere Bach cantate (Zerreißet, zersprenget, zertrümmert die Gruft, BWV 205). Dat is een cantate uit 1725 en de aria heet daar ‘Angenehmer Zephyrus’ gewijd aan de God van de westenwind. De sierlijke, luchtige gebaren van de obligate viool die eerst gebruikt worden om de 'verfrissende koelte' van Zephyr's 'muskus-rijke kus' te beschrijven zijn nu gebruikt om lof te brengen aan Jezus’ naam. Dürr oordeelt: 

'Het is een gedurfde overdracht maar niettemin een overtuigend succes’.

Maar kan men hetzelfde zeggen voor de manier waarop de vocale lijnen passen bij de nieuwe tekst? De lang aangehouden noten, oorspronkelijk toebedeeld aan 'Kuhlen' zijn veel minder expressief bij het woord 'Jahre', en bij die sterk stijgende klim naar 'Höhen' lijkt het toch een beetje gekunseld om die te gebruiken voor de naam van 'Jezus', terwijl de weelderige figuren bij 'Grosser König' (gericht aan Aeolus) minder betekenis hebben bij 'fort und fort' ('voor altijd en eeuwig'). Maar ja, we begrijpen Bach wel: deze muziek is veel te goed om slechts één keer te gebruiken, en dus is deze transfer zeker gerechtvaardigd, zelfs als (ongetwijfeld door tijdnood) het omzetten niet helemaal naadloos verloopt. 

Een begeleid recitatief (en dit is wel origineel) gezongen bij twee hobo’s en een basso continuo met uitgebreide arioso elementen leidt naar de finale. Voor dat slotkoraal doet Bach een beroep op al zijn instrumentale krachten; hobo's en strijkers om het koor te versterken, trompetten en pauken om hun eigen fanfares in te brengen. Ze corresponderen met de trompet-passages in de openingsfuga. Ook dit slot is niet nieuw. Het is het slotkoraal van BWV 41, alleen nu een toon hoger. Terecht, want het was daar een winnende formule die schreeuwt om herhaling.

En zo componeert Bach een samenhangend werk met delen uit eerdere composities, met overeenkomstige buitenste delen, aria’s in een gelijke sfeer en nieuwe recitatieven.

 

En dan de uitvoeringen. Wat een pandemonium daar, dat begin bij Harnoncourt. Wel horen we halverwege een opvallend mooie vioolpartij in de sopraan-aria en een onverwachts feestelijk slotkoor. Als geheel vind ik deze cantate niet meer dan middelmatig. Wie een top-uitvoering wil horen moet opnieuw bij Gardiner zijn, wat een drive daar in dat koor. Maar de mooiste solisten, die zijn ook nu weer ingehuurd door die ouderwetse Karl Richter.

 Wie het eigenaardig vind dat Bach voor zijn kerkmuziek zo sprokkelt in zijn eerder geschreven hofmuziek, dat is niet ongewoon bij Bach. Voor wie het interressant vindt hoe hij zijn wereldse muziek hergebruikt voor kerkelijke doeleinden zie het artikel getiteld 'Met een altaarbloem in 't knoopsgat'.


Bronnen; Gardiner/Neuman




 




de cantates de cantates de cantates de cantates cantates de cantates nu bwv 156