een andere cantate voor de zesde zondag na Trinitatis

 

bwv 9 es ist das Heil uns kommen her



Voor Maarten 't Hart is dit de derde cantate die hij ooit hoort. De kennismaking verloopt via een Archiv-opname die hij ziet in een etalage van een platenwinkel.

"Ik had geen geld bij me, ging desondanks de winkel binnen en vroeg of ik er een stukje van mocht beluisteren. In zo'n claustrofobisch hokje hoorde ik toen uit de luidsprekertjes die in het plafond gemonteerd zaten de openingsmaten van cantate 170. Ik zal het nooit vergeten. Alsof de muziek rechtstreeks uit de hemel kwam. Zwaar aangedaan stapte ik het hokje uit. Amper tot spreken in staat en hevig slikkend, mompelde ik: 'Ik zou deze opname graag meenemen maar ik heb helaas geen geld.' De winkelier keek mij vorsend aan, zei: 'Neem maar mee."

De opening van deze aria is inderdaad een pure verrukking, een warme, weelderige dans in 6/8 in D. We kunnen Bach’s glimlach voelen als hij zich over deze muziek buigt, dit is een verbeelding van de ‘Himmelseintracht’, dit is de harmonie van de hemel. Eén van die onuitsprekelijke melodieën die zich nestelen in je auditief geheugen. Het duurt een hele maat voor het gaat werken, maar eenmaal gelanceerd, lijkt het nooit te zullen eindigen. Het timbre van hobo en strijkers in dat teer wiegende ritme roept een gevoel op van vrede en tevredenheid waarbij de entree van de zangstem een vurig verlangen daaraan toevoegt. Tevredenheid en tegelijkertijd verlangen, deze aria is een prachtige uitwerking van dat conflict. 

In het daarop volgende explosieve recitatief zien wij hoe Bach zich - zoals de religieuze traditie voorschrijft - in woede uitspreekt over de kleinheid en de gemeenheid die hij om zich heen ziet. In de aria, en dat is zeer opvallend, is er een omkering van de gebruikelijke rolverdeling in het orkest, hier gaan de strijkers de bas versterken en het orgel - tot dan toe alleen als continuo instrument gebruikt - krijgt een ongewoon briljante obligato-partij toebedeeld. De frase 

'Wie jammern mich doch die verkehrten Herzen' 

wordt in de orgelpartij werkelijk in extenso geïllustreerd. De goede mens komt pijnlijk in aanvaring met zijn perverse omgeving. De aria illustreert, aldus vele commentatoren, de clash tussen solist en obligato-orgel, het is een verbeelding van onrust en afscheiding. Het daarop volgende recitatief is vrediger. En in de laatste aria, dat is opvallend, breekt Bach met werkelijk alle door hemzelf gecreëerde regels. De woorden gaan over het pijnlijke leven terwijl de muziek hier juist een groot plezier in het leven illustreert. Is dat bedoeld als een overwinning over depressieve, getormenteerde gedachten? Maar een dergelijke constructie is eigenlijk niets voor Bach die zich in zijn muziek altijd zeer sterk laat leiden door de tekst.

Kun je, driehonderd jaar na dato, tot de conclusie komen dat BWV 170 eigenlijk een weinig doorwrocht werk is, een cantate die door omstandigheden enigszins in ongerede is geraakt? Het is John Eliot Gardiner die in zijn toelichting een ander licht werpt op de ontstaansgeschiedenis. Op zondag 28 juli 1726 namelijk besluit Bach om deze cantate te koppelen aan een door zijn neef Johann Ludwig gecomponeerd werk (‘Ich zal meinen Geist in euch geben’) dat wordt uitgevoerd vóór de preek waarbij ‘Vergnügte Ruh’ later volgt tijdens de verdeling van de eucharistie. Bach heeft veel muziek nodig en hij heeft weinig tijd. Dat obligate orgel in 3, zegt Gardiner, is eigenlijk heel vreemd en onpersoonlijk. Die orgelpartijen worden helemaal niet ingegeven door artistieke overwegingen, er is eenvoudig te weinig tijd voor een andere instrumentatie en Bach kan, zelf organist zijnde, last-minute-werk leveren en daarbij geheel op eigen kunnen vertrouwen. En ook de slotaria zou aanvankelijk anders bedoeld zijn. Hier hoort ook geen orgelpartij maar een melodisch blaasinstrument, wellicht een hobo d'amore. Als Bach vele jaren later ‘Vergnügte Ruh’ nieuw leven in wil blazen in zijn laatste jaren, rond 1746, kiest hij op deze plaats voor een obligate fluit. Dit alles kan ook verklaren waarom Bach’s oudste zoon, Wilhelm Friedemann later graag de eerste aria van BWV 170 laat herleven. Hij doet dat in Halle in 1750. Maar alleen die eerste aria, niet de rest van de cantate.

 

Bij wie moeten we zijn voor een optimale beleving van cantate 170? Bij Leonhardt heerst niet de echte cantate-stemming en Paul Esswood verveelt snel. Als je dan toch een mannelijke alt wilt horen luister eens dan naar die stokoude opname van Alfred Deller. Hij bezigt in deze opname uit 1954 een wel heel curieus soort Duits maar het is toch een heel sfeervolle opname. Hij zingt dit alles uiterst voorzichtig, ja bijna verlegen. Tot de slotaria aanbreekt. En dan valt goed op dat inderdaad enorme contrast tussen tekst en muziek; dit heeft werkelijk niets met elkaar van doen. Ook mooi is de (vrouwelijke) alt bij Rilling en als alternatief voor het orgel klinkt daar inderdaad de fluit. Scherchen (1952) gebruikt een klavecimbel als alternatief en het klinkt onverwachts fris en snel. En dan de opname met Aafje Heynis. Die is ondanks haar werkelijk abominabele duits heel sfeervol. Maar ik geloof toch dat Deller het van hen allen wint. 

Op zondagochtend 2 november 2008 heb ik een mooie last-minute-plaats bemachtigd in het Concertgebouw. Naast mij strijkt neer (wat een toeval) mijn collega Paul Dautzenberg die te laat is en daarom een andere plaats krijgt toegewezen. Wij zijn hier om te luisteren naar Maarten Engeltjes, een opkomend talent uit de stal van het Holland Boys Choir (gesponsord door Bruynzeel Keukens zo verneem ik nu). Hoe dan ook, Maarten zingt BWV 170 en hij zingt mooi.

Een nog veel meer opmerkelijke ervaring, zeg maar gerust een topervaring, vindt plaats op 28 februari 2016. Dan schuiven we, het is 7 uur in de avond, nietsvermoedend aan in een bank in de Westerkerk. Ongewoon ver naar voren zit ik nl. rij 5, links waar straks orkest en solist verschijnen. Achter mij wordt gefluisterd; Philippe Jaroussky zal optreden. Dit kan natuurlijk niet waar zijn, te ongeloofwaardig immers. Een dermate wereldberoemde zanger zomaar hier onaangekondigd in de kerk, met straks als gage onze gift in het kerkenzakje? Maar slaan we het 'Orde van Dienst' boekje open dan staat daar op pagina 2 heel eenvoudig (en niet eens dik gedrukt zoals ik hier nu doe):

Alt:  Philippe Jaroussky

Philippe horen zingen is een lijfelijke ervaring. Als hij in de latere delen van deze cantate de hoogte zoekt dan gaan wij met hem mee en we voelen een soort van warmte die er normaal niet is, ergens links in de buurt van het hart is daar een gloed. Het doet begrijpen waarom wij denken dat ons gevoelsleven daar zit, niet in het hoofd, niet bij de hersenen. Nee daar, waar Philippe nu ergens rondwaart met die stem die niet van een man, niet van een vrouw lijkt te zijn maar van iets of iemand ver van ons verwijderd. Hartverwarmend. Of gaat dat te ver? Nee.


 






de cantates de cantates de cantates de cantates cantates hierna cantate 187