een andere cantate voor de achttiende zondag na Trinitatis

bwv 96 Herr Christ, der einge Gottessohn



De liefhebbers kennen de situatie wel. We zijn bijeengekomen in een kerk met de bedoeling Bach’s muziek te ondergaan. Het uitvoerend gezelschap treedt aan, applaus weerklinkt en de musici nemen hun plaats in op het podium. Boven dat podium hangt een orgel. Dat orgel wordt niet gebruikt en de concertganger vraagt zich af; waarom niet? Waarom bedient men zich van een klavecimbel, van een meegebracht kistorgel? Waarom eigenlijk verzameld het ensemble zich niet naast het orgel op het balkon?

 

De meeste ensembles willen de muziek uitvoeren op de wijze waarop dat - historisch gezien - ook destijds plaatsvond. Men wil liever zonder orgel uitvoeren (zoals destijds gebruikelijk was) en zeker wil men geen gebruik maken van een type orgel dat destijds nog niet bestond.

 

De muziek waar we het over hebben, b.v. als het gaat om cantates van Bach, dateert van rond 1700. Een orgel zoals dat thans in de kerk aanwezig is, is van veel later datum. Het orgel van de Oude Lutherse Kerk te Amsterdam bij voorbeeld, dateert uit 1886. Het is anders gestemd dan de authentieke instrumenten waar men op speelt, het dateert dan ook uit een tijd waarin het niet meer gebruikelijk is om nog gezamenlijk in een ensemble te spelen. Het is bedoeld om solistisch te spelen of als begeleiding van gemeentezang. Dat maakt het ongeschikt voor deze uitvoeringspraktijk.

Dat leidt dan tot de uitvinding van kleine, verplaatsbare kamerorgels als continuo-instrument. Er zijn overduidelijk visuele en acoustische verschillen tussen kerk- en kamerorgels: de geringe omvang van de meeste moderne kamerorgels staat de organist toe temidden van het ensemble te zitten en zelfs om vanaf die plek te dirigeren. Vanaf een kerkorgel is het erg moeilijk om een ensemble te dirigeren. Zowel visueel, de speler kijkt slechts naar een rij pijpen, als acoustisch, het geluid verlaat de pijpen weg van het ensemble terwijl de organist de continuo instrumenten nu juist dient te volgen. De geluiden mengen pas tegen het plafond van de kerk. Dit is wellicht de reden dat Bach, die een virtuoos organist is, liever dirigeert van achter zijn klavecimbel, of terwijl hij meespeelt in het ensemble als violist. 

Het belang van een orgel gebruiken is dus nogal eens overschat, het wordt in de barok nauwelijks gedaan. Maar uitzonderingen zijn er natuurlijk wel. De obligate orgelpartij in waar BWV 169 mee begint is een voorbeeld daarvan. Het orgel verweeft zich geheel met de andere instrumenten, het verrijkt de textuur en vult de harmonieën prachtig aan. En toch ligt, juist aan dit werk een klavecimbelconcert ten grondslag, nl. het concert wat we kennen als BWV 1053. Het eerste deel van dat concert wordt door Bach getransponeert van E groot naar D groot en onder toevoeging van 2 hobo's en met het orgel als solo instrument resulteert dit in dat openingsdeel van deze cantate; de Sinfonia. Zo is dit opnieuw een voorbeeld van wereldse muziek die door Bach de kerk binnengebracht wordt. En later brengt hij deze er weer uit want blijkbaar heeft hij ditzelfde werk ook nog eens als hoboconcert herschreven.

 

Maar goed, we zijn nu in de kerk en we horen de muziek die van Bach een onmiskenbaar religieus stempel heeft gekregen. Dat geldt ook voor 'Stirb in mir, Welt' (5) een aria die ook weer gebaseerd is op het genoemde klavecimbelconcert, dit keer op het tweede, langzame deel. Bach voegt een geheel nieuwe vocale lijn toe aan het het gepuncteerde ritme van de siciliano voor de strijkers. De aria contrasteert als een 'Grabgesang der Weltliebe' met het 'Lobgesang der Gottesliebe' van aria (3) en het is een ontegenzeggelijk hoogtepunt in deze cantate. Hier klinkt in de melancholische toonsoort b-klein, een aangrijpende klaagzang op afscheid en verlies van dierbare doch slechts aardse waarden als trots, rijkdom en zinnelijk genot. De solopartij van het oorspronkelijke concert is hier kunstig verdeeld over de beide solostemmen, alt en orgel, die nu eens unisono, dan weer als elkaars contrapunt fungeren.

 

 

BWV 169 is nu typisch zo'n cantate die in totaal verschillende uitvoeringen op een totaal verschillende manier mooi is. Ik kan dus niet kiezen. Het uitgangspunt is Aafje Heynis want die uitvoering bezit ik het eerst. Maar dan komt Harnoncourt. Lichter, vlotter en natuurlijk veel minder romantisch dan Aafje. Wat een verschil. Je kan je voorstellen dat men destijds schrok van dit tempo, van het feit dat het een man is die deze teksten zingt. Het is allemaal wat minder vroom. Maar als we Gardiner beluisteren dan horen we weer iets anders; muciseervreugde! En vervolgens is daar dan weer een klassieke, vrouwelijke alt bij Rilling met 'Stirb in mir' en dan is dat opeens wonderlijk mooi. En dan treedt daar aan de heer Jochen Kowalski vergezeld van een werkelijk reusachtig orgel en dat is dan ook weer mooi.

 

Luister naar een heerlijke live-uitvoering van de Sinfonia hier op You Tube. Het begint, wat misleidend met een air maar dat is slechts een introductie.






cantates de cantates de cantates de cantates cantates de cantates nu cantate 56