nog een cantate voor de vierde zondag na Pasen (Cantate)

bwv 108 es ist euch gut, das ich hingehe




Na het pathos en de diepe emoties van de voorgaande cantates lijken de nu volgende werken op het eerste gezicht wat zachter te zijn, wat intiemer. Een zachtheid geschilderd in subtiele mezzotinten. Althans dat is de eerste indruk. Echter, hoe meer je je verdiept in BWV 166, hoe meer je de buitengewone potentie ervaart van deze cantate die niet geschreven is voor een in het oog springende christelijke hoogtijdag maar voor een doodgewone zondag in de periode na de opstanding. Het is werkelijk zo’n breed spectrum aan stijlen en stemmingen wat we hier horen. Muziek moet voor Bach een nieuwe betekenis ontlokken aan een evangelietekst. Steeds opnieuw is hij bezig zijn toehoorders uit te dagen, steeds opnieuw moeten wij van hem overwegen; wat betekent het eigenlijk om te leven? 

Wo gehest du hin’ herinnert ons eraan dat het menselijk leven kort is, maar ook wijst het op onze neiging om het te laten verworden tot een potentiële puinhoop. En waar kunnen we dan steun aan ontlenen, hoe herkennen wij richtingwijzers, wat is het kompas om ons weer op weg te helpen, ook op momenten waarop we eenzaam zijn - als God ons schijnbaar heeft achtergelaten bij ons eigen troebele handelen. Het evangelie voor deze zondag behandelt de woorden van Jezus;

‘Thans ga Ik naar Hem die Mij gezonden heeft, en toch vraagt niemand van u: Waar gaat Gij heen?’ 

Deze simpele vraag;Waarheen gaat gij?’ (een vraag aan Jezus) wordt door Bach gekoppeld aan die andere vraag ‘Wat gebeurt er met ons?’ (mensen). 

Het eerste deel van de cantate begint met een uitdagende serie oprijzende fragmenten van hobo’s en strijkers. Het lijkt wel een uitdaging te zijn aan al die discipelen daar verzameld; kunnen zij de moed vinden die belangrijke vraag te stellen, er wordt een beroep gedaan op hun kracht, op hun geest. Maar nee, zij stellen de vraag niet en uiteindelijk is het de Vox Christi (Jezus zelf) die het voor hen doet. In de muziek van dit openingsarioso horen we steeds verschuivende accenten binnen een driekwartsmaat en dat maakt het tot een ondergewaardeerde maar diep roerende opmaat naar wat er nog volgen zal in deze cantate.

Er volgt een tenor-aria (2) met viool en obligate hobo in een serene meditatie, balancerend ergens tussen hemelse gedachten en meer aardse. Boven een rustig voortschrijdende baslijn wordt diezelfde vraag door de zangstem op allerlei verschillende manieren gesteld. Zo wil Bach het blijkbaar beter doen dan de leerlingen, tot wie Jezus zich immers verwonderd richt met de vaststelling dat niemand Hem naar zijn bestemming vraagt. Het zet de schijnwerpers op die impliciete tweede vraag; de mens vraagt dan wel waar Christus heen gaat maar Hij stelt de vraag aan ons.

'Mensch, ach Mensch, wo gehst du min?'

Dit lokt een sterke collectieve reactie uit in het nu volgende sopraan-koraal begeleid door hoge strijkers en unisono violafiguren (3). De stevige ondergrond van de basso continuo en dat besliste unisono van de strijkers illustreren treffend de regels:

'Und laß mich ja zu keiner Frist
Von dieser Mening wanken' 

De bas, nu niet langer de Vox Christi maar de zetel der wijsheid behandeld het thema van wisselend geluk (4) en uiteindelijk aangekomen op een punt waar het misschien wat al te polemisch dreigt te worden volgt juist op dat moment een nieuwe aanwijzing hoe grillig Vrouwe Fortuna kan zijn. Bach stapt briljant opzij om ruimte te geven aan een volmaakt andere zienswijze. Hij construeert een menuet van het orkest (5), maar onderbreekt elke frase met frivole cascaden van paarsgewijze zestiende noten, het neigt alles naar het willen overtreffen en het in de war brengen van de nu aangetreden altsolist met zijn steeds voortdurende melisma’s. Het is giechelen, het is kirren  en het is welhaast infectueus; stem, hobo en de complete strijkerssectie barsten op een zeker punt uit in unisono lachen. Op dit soort momenten aanschouwen we Bach’s weigering om zich alleen maar door de ernst van de lithurgie te laten leiden. Hij wil achter het gordijn van de religie kijken en als elke theaterman staat hij gereed om dat gordijn weg te trekken; humor helpt dan om ons, luisteraars, te laten meedelen in de realiteit van het ontregelde leven. En hij weet ook precies wanneer de orde hersteld moet worden. Het slotkoraal volgt, het is bijna een gebed bij de naderende dood.

 

Dit is - dat zeg ik bij de eerste beluistering al - een mooie en afwisselende cantate met een werkelijk ontroerend slotkoraal. Dat volgt zeer abrupt na die ‘vreemde’ alt-aria. Bij Gardiner is tenor James Gilchrist werkelijk prachtig. En het giechelen door de mannelijke alt (Robin Tyson) is een uiterst vervreemdend effect, precies waar dit deel om vraagt. Misschien een onverwachte vergelijking maar denk toch maar even aan de film Cabaret. Hier, in deze cantate, kunnen we ons voorstellen hoe de bas, ernstig, aan het eind van zijn recitatief, een gordijn opzijschuift waarachter campy Robin schuilgaat, de vrolijke noot die - als nar in dit stuk - ons een spiegel voorhoudt.

'Man nehme sich in Acht!'

En het contrast met het daaropvolgende koraal kan niet groter zijn. Koude rillingen, prachtig.



Bron; John Eliot Gardiner