ook voor Trinitatis  bwv 194 höchsterwünschtes Freudenfest

 

bwv 176 es ist ein trotzig und verzagt Ding

 

bwv 129 gelobet sei der Herr, mein Gott









Wikipedia over Salomo Franck

 

Salomo Franck, ook wel Salomon Franck (1659 - 1725) was een Duitse jurist, een geleerde en een begaafd dichter. Tegenwoordig is hij vooral bekend als tekstschrijver van een cantatejaargang die door Johann Sebastian Bach werd voorzien van toepasselijke muziek.

 

Biografie


Franck studeerde rechten en vermoedelijk ook theologie in Jena. Daarna verbleef en werkte hij achtereenvolgens in Zwickau, Arnstadt en Jena, voordat hij in 1701 terugkeerde naar Weimar. Vanaf 1702 werd hij hofdichter en beheerde hij het muntenkabinet en de uitgebreide hofbibliotheek van de Weimarse hertog Wilhelm Ernst. Hij vervulde de functie van secretaris van het hertogelijke consistorie te Weimar.

 

Dichter van wereldlijke cantates


Vanaf 1694 dichtte hij teksten bestaande uit bijbelwoorden en strofengedichten voor cantates voor het hof van Weimar. Later, vanaf ongeveer 1710, ging Franck onder invloed van Erdmann Neumeister ook niet-strofengedichten schrijven. Hij dichtte een groot aantal gelegenheidscantates. De bekendste is de tekst voor het banket bij de 31e verjaardag in 1713, van de hertog Christian van Saksen-Weissenfels genoemd ‘Was mir behagt, ist nur die muntre Jagd!’ en getoonzet door J.S. Bach (BWV 208). Deze cantate is het eerste gedocumenteerde voorbeeld van de samenwerking tussen Franck en Bach.

 

Dichter van religieuze cantates


Franck is ook bekend van zijn vele kerkcantates:

  • Evangelisches Andachts-Opffer (cantatejaarcyclus in 1714/15)
  • Evangelische Seelenlust (1716)
  • Evangelische Sonn- und Festtages-Andachten (cantatejaarcyclus in 1716/17).

Picander, tekstschrijver van het oratorium Matthäus Passion (1727), putte inspiratie uit teksten van Brockes en Salomon Franck. Franck leverde de libretti voor bijna alle cantates die Bach vanaf 1714 in Weimar schreef. Franck leverde werk af van hoog poëtisch niveau met heldere theologische boodschappen en stimuleerde Bach daardoor bij het componeren van even hoogwaardige muziek.





 

BWV 165 is - dat nemen wij nu aan - gecomponeerd in Weimar (in 1715) en wordt mogelijkerwijs opnieuw uitgevoerd op de Drieëenheidszondag van 1724 te Leipzig waarbij er kleine veranderingen zijn aangebracht. Maar het is alles niet volstrekt zeker want het bronnenmateriaal is niet eenduidig hierover. Wel weten we dat de tekst opnieuw uit Salomon Franck’s collectie uit 1715 komt (net als BWV 164). Van alle tekstdichters die Bach hebben bijgestaan is Franck ongetwijfeld de grootste en deze cantate is een van zijn beste werken. Het gaat over de reiniging van de menselijke geest door de doop en Franck construeert emotioneel beladen, poëtische beelden om dit moeilijke thema te illustreren. 

 

De openingsaria is een treffend voorbeeld van de manier waarop Bach met de tekst als uitgangspunt vrijheid in de omgang met muzikale vormen en expressie weet te vinden. De  structuur is die van een fuga, de vorm is een rondo, sommige delen bevatten vrije inversies (omkeringen) van het basis-thema. De muziek is zowel ‘waterrijk’ als visionair. De religieuse extase die hij weet te schilderen bij de woorden ‘und uns das neue Leben schenket' is adembenemend. Het bas recitatief (2) leidt vervolgens naar de altaria met een zeer langzame continuobegeleiding die het karakter krijgt van een gebed. Met het basrecitatief (4), zo vrij dat het welhaast geimproviseerd lijkt, keert de extase terug. Opmerkelijk is dat er in deze cantate zelfs twee maal gerefereerd wordt aan de slang. De eerste is het meer gebruikelijke beeld van de Satan. De tweede, het beeld van de ‘bloed-rode serpent’  refereert aan een middeleeuwse afbeelding van ‘Christus in het voorgeborchte’, hij wordt afgebeeld als een slang aan het kruis. In Bach’s dagen is dat al een zeer archaïsche metafoor, maar toch, de kerk in Weimar bezit een icoon met een dergelijke voorstelling. Voor de parochianen is dit dus een vertrouwd beeld. In de tenor-aria 'Jesu, meines Todes Tod' horen we krachtige violen met unisono strijkersfiguren die zeker geïnspireerd zullen zijn door de ‘Heilschlänglein’. Maar het is - lijkt mij - ook mogelijk om hier water te horen. 

 

De cantate staat niet bij een ieder hoog aangeschreven. Dit is wat Simon Crouch erover meldt:

 

“Alas, the music is a lot less interesting than the title, nothing here really stays in the memory for longer than the length of the work.”

 

En over de alt-aria:

 

“Again a pleasant enough movement without really troubling the memory.”

 

Mijn kennismaking met het werk verloopt via het Leonhardt Consort en ook dat valt niet mee. 

 

“De kleine Tobias kan niet zingen en de uitvoering door Leonhardt begint dus zwak.” 

 

Maar mijn idee dat de hele cantate daarmee gediskwalificeerd is moet ik toch herroepen. Zeker als Suzuki ten tonele verschijnt. 









     

    verder naar cantate 185 >>  de cantates de cantates de cantates de cantates de