Monogram Johann Sebastian Bach







andere cantates voor de twintigste zondag na Trinitatis

bwv 180 schmücke dich, o liebe Seele

bwv 49 ich geh' und suche mit Verlangen




Uit 1716 stamt deze cantate en wel uit de maand oktober, althans is wat de meeste bronnen zeggen maar er wordt ook wel gezegd 1715 en bij de Kruitvat-uitgave (jawel) lezen we dan weer 1717. Het is dus allemaal niet zeker. Hoe dan ook, wel staat vast dat de cantate opnieuw wordt uitgevoerd in Bach’s eerste jaar in Leipzig (1723) met een toevoeging van een partij voor tromba (ik meen dat dat een schuiftrompet is of is het een hoorn?) en een uitbreiding van het strijkersaandeel in de openingsaria. Die uitbreiding is geheel ontwikkelt vanuit het motief 'Ach ich sehe' en het draagt sterk bij aan de muzikale dichtheid van die aria. 


Het contrast met de daarop volgende delen wordt daarmee nog groter. Want kijk maar eens naar de orkestbezetting van wat er nu volgt; het is minimaal. Maar liefst vier van de zes delen van deze cantate zijn slechts voorzien van een continuopartij. Dat kan Bach niet zo bedoeld hebben. We gaan er van uit dat er instrumentale partijen verloren zijn gegaan. Niet voor het openingsdeel dus, dat is de Bach zoals we hem kennen. Maar met name de sopraanaria, dat is zo’n stuk dat vraagt om een obligate instrumentale partij, b.v. voor een viool. Suzuki meent er goed aan te doen zelf een obligate partij te schrijven, hij kiest dan voor de fluit. Het duet is in al zijn eenvoud juist wel mooi. Hier weten we niet zeker of er iets ontbreekt in de instrumentatie.


Simon Crouch (op zijn web-site);

 

“The outer movements provide the only real interest here. The opening movement is a solo aria for bass describing the invitation to the Gospel's wedding feast in sombre, austere music. A slide trumpet provides a haunting accompaniment to what is a beautifully contemplative piece. At the other end of the work, the concluding chorale is short, simple but outstandingly beautiful. Alas, in between these two interest is not maintained. The soprano aria (which commentators suggest is missing an obbligato instrument) is pleasant but somewhat unmemorable and the alto/tenor duet that follows the intervening recitative seems merely routine by Bach's standards.”


Kijk, dat is duidelijke taal. De sopraanaria is inderdaad iets om snel te vergeten, het duet en de recitatieven zijn routinematig en voldoen in ‘t geheel niet aan Bach’s eigen standaarteisen. 


Zijn er nog opnames die het geheel nog wat recht kunnen doen? Dat ziet er somber uit, er zijn namelijk slechts opnames voorhanden van Harnoncourt, Rilling, Suzuki, Leusink, kortom alleen van wie de integrale serie opneemt en dat is altijd een slecht voorteken. Het jongenssopraantje van het 'Tölzer Knabenchor' zingt niet mooi. De tenor, die is prachtig; Kurt Equiluz. Een mooi duet heeft hij met de alt. Kurt verschijnt ook ten tonele bij Rilling. Die biedt een zeer stevige continuopartij die de indruk wekt het geheel op deze wijze wat te willen ‘pimpen’ maar het resultaat is nogal twijfelachtig. Maarten zegt over deze cantate dat de openingsaria met de hoorns juist ‘heerlijke, swingende muziek’ oplevert. Niet bij mijn uitvoeringen!


En verder moet me toch van het hart, nu ik chronologish alles beluister, dat ik zo’n 25 werken heb gehoord van de jonge Bach (hij is inmiddels 31) maar nergens ontmoet ik tot nu toe de Bach zoals we hem kennen van (wat ik beschouw als) zijn echt grote werk. Wanneer komen we bij cantate 147,  96, 34, 85, 140? Hoe oud is hij dan? Het is zeer opvallend, van alles wat ik als topstuk beschouw hebben we tot op dit moment nog geen enkel exemplaar ontmoet. Het is duidelijk, Bach moet eerst nog naar Frankrijk afreizen, menuetten, gigues, sarabandes moet hij bestuderen. De Franse hofmuziek, het zal hem goed doen. We wachten af.......











  

    verder naar cantate 158 >>  de cantates de cantates de cantates de cantates