Monogram Johann Sebastian Bach






eveneens voor deze zondag

bwv 95 Christus, der ist mein Leben

 bwv 8 liebster Gott, wann werd ich sterben

bwv 27 wer weiss, wie nahe mir mein Ende





Cantate 161 is een vroege cantate, geschreven te Weimar, uit hoofde van Bachs verplichting om, als concertmeester van de hofkapel maandelijks een cantate te componeren. Dat het een vroege cantate is blijkt uit het ontbreken van een openingskoor maar ook uit het gebruik van blokfluiten die Bach bij een heruitvoering in Leipzig zal vervangen door de modernere traverso's. De tekst wordt ingegeven door het in Bach’s tijd wijdverbreide doodsverlangen, Todessehnsucht. Hoe korter hier, hoe eerder wij na een tijdelijke slaap in het graf, het eeuwige leven bij Christus bereiken. Voor de verbeelding van dit verlangen naar de zoete dood lijken de fluiten, flauti dolce, het geëigende instrument. Bach heeft ongetwijfeld zijn eerdere Actus Tragicus (BWV 106) in gedachten als hij in 1715 deze cantate componeert. De verwantschap is, behalve in de zeer belangrijke rol van de blokfluiten, het duidelijkst in het openingsdeel met zijn contrast tussen de affectieve 'zuchtende' aria voor de zanger (alt, begeleid door twee fluiten en continuo) en een bekend  koraal (gespeeld door de rechterhand van de organist). De tekst van deze cantate is van de Weimarer hofdichter Salomo Franck en is in zijn beeldende en directe Jezus-devotie duidelijk piëtistisch van inslag:

...mache meinen Abschied süsse...dass ich meinen Heiland küsse: ich habe Lust bei Christo bald zu weiden; mein Verlangen ist den Heiland zu empfangen...in Jesu Armen bald zu sterben'. 

Het geeft Bach stof voor tal van schilderingen; het meest opvallend in dit verband zijn de doodsklokken aan het eind van het tweede recitatief met zwaar gebeier in 't continuo, doffe pizicati in de overige strijkers en kleine klokjes in de fluiten. 

De eenheid die deze cantate uitstraalt is voornamelijk te danken aan het in 't openingsdeel geciteerde koraal 'Herzlich tut mir verlangen nach einem sel'gen End'. Dit keert niet alleen terug in het slotdeel maar ook is de thematiek van de drie aria's rechtstreeks gebaseerd op deze koraalmelodie. Het citaat in de opening - aangeleverd dus door de rechterhand van de organist - zal door Bachs toehoorders direct worden ‘verstaan’, het is immers de melodie van een bekend stervenskoraal. Deze orgelpartij ondersteunt zo de zeer persoonlijke bede van de alt met wat we bij uitstek als gemeenschappelijk ervaren, het door allen gekende kerklied. Maar voor de hedendaagse toehoorder is deze associatie helemaal niet meer zo vanzelfsprekend: wij kennen de melodie immers vooral als die van het lijdenskoraal ‘O Haupt voll Blut und Wunden dat in Bach’s Matthäus-Passion wel vijf keer klinkt; een associatie die in ‘t geheel niet beoogd wordt. Wij zijn meer geholpen met de latere Leipziger uitvoering, daar klinkt niet die rechterhand, daar zingen sopranen de melodie op de tekst. 

In deze cantate gaat Bach de rol van het koor, die in zijn cantates tot nu toe nogal ondergeschikt is, wat verder uitbreiden. Hij doet dat echter niet eerder dan nadat we de doodsklokken hebben gehoord (4) in die bevrijdende en optimistische slotfase van de cantate. Er is uitzicht op onsterfelijkheid en op hereniging met Christus wat een aanleiding vormt voor het koor om in actie te komen (5). Ze worden begeleid door twee vrolijke fluiten die aanvankelijk nog even herinneren aan het smachtend motief waarmee ze de cantate openden maar vervolgens het eenvoudige en pretentieloze vierstemmige lied van het koor versieren met dartele tweeëndertigsten als verbeelden zij de ten hemel stijgende, klapwiekende ziel. Een heel andere rol krijgen de fluiten in het hierna volgende koraal (6) waar ze, voortdurend aanwezig boven ‘der Leib zwar in der Erden’ in een druk contrapunt verwikkeld zijn. Hiervan wordt wel de suggestie gedaan dat ze de wormen verbeelden, aan het werk in het graf. Ook keert hier de toonaangevende Herzlich-melodie nog even terug, boven het vierde couplet van Christoph Knolls lied.


 

Maarten 't Hart over cantate 161:

'Het koor ‘Wenn es meines Gottes wille’ (5) is ongelofelijk, en typisch een specimen van de jonge Bach. Zoiets zal hij later nooit meer componeren. Hier laat hij zich nog helemaal gaan, hier zwalkt de muziek maar wat rond, maar o, o, wat is dat mooi'. 

Maarten heeft gelijk. Zelf vind ik de opening erg mooi met die prachtige wrange blokfluiten die bij Rilling nog het best uitkomen. Bij hem valt ook dat bijzondere effect in 't altrecitatief het meest op: doodsklokken. Ook het koor is bij hem wonderschoon. Bij de Harnoncourt-versie heeft de countertenor mooie momenten. Maar waarom zou deze muziek in sommige uitvoeringen toch zo bloedeloos klinken? Dat geld wel heel sterk voor de uitvoering van Daniel Taylor.

Bij de uitvoering in de Westerkerk op zondagmorgen 1 oktober 2006 is Fabio Trümpy (zie onder) indrukwekkend, met name in het recitatief. Rene de Vries is ook ter kerke gegaan en zit naast mij.



     hierna volgt cantate 162 >>  de cantates de cantates de cantates de ca