meer cantates voor de zevende zondag voor Pasen (Quinquagesima)

bwv 22 Jesus nahm zu sich die Zwölfe

bwv 23 du wahrer Gott und Davids Sohn

bwv 127 Herr Jesu Christ, wahr' Mensch und Gott



Deze cantate schrijft Bach voor de 27e Februari 1729, de laatste zondag voor de vastentijd begint. Gedurende de vastentijd is in Leipzig, het is al eerder gezegd, geen concertante muziek toegestaan en dus hoeft Bach voor de weken hierna geen cantates te schrijven. Op Goede Vrijdag zal hij wel een passion moeten uitvoeren, dat is in dit geval de Matthäus-Passion die twee jaar eerder, in 1727 in premiere is gegaan. 


“Ziet, wij gaan op naar Jeruzalem, en het zal alles volbracht worden aan den Zoon des mensen, wat geschreven is door de profeten.”


De cantate begint niet met een koor maar met een dialoog tussen enerzijds Christus (de bas) die de woorden uit Lucas 18;31 uitspreekt dat Hij naar Jerusalem zal gaan waar Hij met palmtakken zal worden verwelkomd en anderzijds de christelijke ziel (de alt) die de Heiland smeekt om het noodlot wat Hem daar wacht te mijden want ‘het kruis is reeds opgericht’. De alt wordt door alle strijkers begeleid, terwijl de woorden van de bas klinken boven een ‘onbestemd voortwandelende baspartij’ die steeds even stilhoudt, steeds na zeven schreden als Jezus zijn opgaan naar Jerusalem onderbreekt en zich naar zijn discipelen wendt en spreekt over de dingen die komen gaan.


“...en Hij zal bespot worden, en smadelijk behandeld worden, en bespogen worden. En Hem gegeseld hebbende, zullen zij Hem doden.”


Maar in deze dialoog tussen bas en alt is Christus niet, zoals je zou kunnen veronderstellen, in gesprek met zijn discipelen. Dit is veeleer een dialoog zoals we die ook horen in de Matthäus-Passion, die sprong in de tijd waarbij de hedendaagse gelovige waarschuwt voor de gebeurtenissen die nu gaan komen. Wij zijn het en wij waarschuwen met de kennis van nu. Maar het zijn vruchteloze waarschuwingen juist gezien de onontkoombaarheid van de gebeurtenissen en gezien de betekenis van de heilsgeschiedenis juist voor de gelovige. We roepen 'Ihr Henker, haltet ein' en 'Lasst ihn! haltet! bindet nicht!' en toch moet dit alles gebeuren. En ook in deze cantate klinkt onze waarschuwing:


“Ach, gehe nicht!”


Tot uiteindelijk het besef doorbreekt dat, als hij niet naar Jeruzalem gaat, onze weg zal eindigen in een ‘hel’. Muzikaal wordt die hellevaart onderstreept doordat de muziek afglijdt naar beneden. 


Als we in deze dialogen een overeenkomst zien met de Matthäus-Passion dan kan dat nauwelijks toeval zijn; cantate 159 heeft namelijk als tekstdichter Picander, dezelfde Picander die ook de passionen schrijft. Het verschil zit er in wat componist Bach er mee doet, wordt het passiemuziek voor 2 koren en 2 orkesten of wordt het kamermuziek voor 2 solisten zoals hier in BWV 159. De overeenkomsten gaan verder in de hierna volgende aria (2), een opgewekte dansante aria voor de alt met de sopraanpartij die de alt in haar overwegingen gaat bijstaan met het zesde vers van het beroemde passie-koraal van Paul Gerhard. Als altijd bij Bach; waar de alt als twijfelend, menselijk individu de gelovige mag representeren dan is het de sopraan met al haar dogmatische zelfverzekerdheid die namens het instituut kerk het woord mag voeren. Dat gebeurt ook hier met de woorden van een gezaghebbend kerklied:


“Ich will hier bei dir stehen, verachte mich doch nicht”


Het vierde deel opent met de woorden ‘Het is volbracht’ woorden die Bach twee maal heeft gebruikt, eerst in de Johannes Passion en nu in deze cantate., beide keren zo gedenkwaardig en beide keren met een overweldigend maar tegelijkertijd bescheiden pathos. In deze cantate versie lijkt de tijd soms even stil te staan; ook waar de woorden spreken van een zich haasten is er een plechtige rust bereikt waar Christus zijn lot aanvaard.



“There is a very intimate, personal feeling to this short cantata that means that it may not immediately catch the attention. It is, however, very beautiful in its intimacy. This is the story of the way of the cross told from the point of view of the soul.”


Aldus Simon Crouch en hij heeft gelijk. Dit is een heel opmerkelijke cantate, die het mooist uitpakt met een vrouwelijke alt. Die alt-aria (met koraal gezogen door het koor) is bij Rilling werkelijk prachtig, vooral na die onopvallende inleiding als vanuit het niets dat koor verschijnt. En de bas zingt hier een mooie lyrische partij met hobo. Het is, wonderlijk genoeg, Philippe Hüttenlocher die wij hier horen. De man die ik in vele opnamen maar ook in 158 zo overdreven theatraal vindt. Het is een opname uit precies datzelfde jaar. Hij houdt zich in, hij zingt mooi. 


Op 25 februari 2007 klinkt de cantate in de Westerkerk. Het is de dag van de februaristaking en het is de dag dat ik met hyves begin. Moet ik het daarop vermelden?




Bronnen; Gardiner/Crouch






de cantates de cantates de cantates de cantates cantates de cantates hierna bwv 145