Monogram Johann Sebastian Bach














purificatie (festo purificationis Mariae)

bwv 82 Ich habe genung!


Een cantate uit Bach’s jaren in Weimar, althans alles wijst daarop maar een nadere datering is niet mogelijk. Er is geen enkele noot in Bach’s handschrift overgeleverd. Een curiositeit is het zeker. Het is niet alleen opvallend dat de cantate begint met een recitatief maar er volgt slechts één aria. Als vervolgens nergens een aanduiding is te vinden voor welke gelegenheid deze cantate wordt geschreven dan rijst de gedachte dat er wellicht nog veel meer ontbreekt. Mogelijk gaat het hier om enkele bewaard gebleven delen van een veel groter werk. Mogelijk is hier een meesterwerk verloren gegaan. 

Er zijn meer speculaties. Misschien heeft Bach zelf, zoals hij vaker deed, dit werk samengesteld uit onderdelen van eerdere composities. Composities die wij niet kennen omdat ze, als zo veel werken van Bach, verloren zijn gegaan.

John Eliot Gardiner noemt nog een mogelijkheid. BWV 158 zou het slot kunnen zijn, een deel twee van één van die lange cantates, bedoeld om een avondmaalsdienst op te luisteren. In die opvatting is de zeer breed uitgesponnen bas-aria met koraal (2) een ideale begeleiding bij de distributie van het brood; het lichaam van Christus.

Heerlijk toch, al die speculaties? Maar of dit nu een gemankeerde cantate is of bijeengebrachte delen uit eerder werk, zeker is wel dat dit alles toch een mooie eenheid vormt. Een ‘multi inzetbare cantate’ zouden we kunnen zeggen. Boven een kopie uit Bach’s tijd worden wel wat suggesties gedaan. Zo zou dit werk uitgevoerd kunnen worden op een paar kerkelijk feestdagen die wij niet meer kennen zoals ‘Maria Reinigung’ en ‘Den dritten Ostertag’. De tekst geeft weinig aanknopingspunten want het onderwerp van de cantate is, als zo vaak, de sterfelijkheid van de mens, het verlangen naar de dood en de hemelse vrede. 

Het centrale deel van het werk is de aria con corale (2) en deze zou inderdaad kunnen verwijzen naar de evangelielezing voor Maria Reiniging, het kerkelijk feest ter gelegenheid van het zuiveringsoffer dat Maria exact veertig dagen na de geboorte van Jezus volgens de Joodse wet (Leviticus 12) moet brengen. Een zuiveringsoffer, immers, de vrouw wordt na het baren van een kind als onrein beschouwt. Maar na haar offer bij een eerste bezoek aan de tempel is zij dat niet meer. Dat bezoek heeft daarnaast ook een sociale functie want Maria kan de veertig dagen oude Jezus ook aan bepaalde mensen voorstellen, bijvoorbeeld aan de oude Simeon, aan wie is beloofd dat hij niet zal sterven voor hij de Messias heeft gezien. Simeon verklaart bij deze gelegenheid dat hij thans getroost is en bereid om te sterven: 

‘HERR, nun läßt du deinen Diener in Frieden fahren.’ 

 

De cantate begint met een mooi recitatief, knap schakelend tussen secco gedeelten en arioso tussenvoegsels, de laatste steeds op de woorden ‘Der friede sei mit dir’. In de lange bas-aria met obligate solo viool die daarna volgt horen we de eerste strofe van Johann Rosenmüller's koraal 'Welt ade, ich bin dein müde', verklankt door sopranen en hobo. Dat statige koraal weerspiegelt het doodsverlangen van de gelovigen maar het is ook een bevestiging van de woorden van de oude Simeon; hij is bereid heen te gaan. De klagende melodieën van de bariton (Welt, ade, ich bin dein müde) gaan gelijk op met een instrumentale begeleiding die wordt gevormt door een strak doorlopende continuopartij (het onverbiddelijke voortschrijden van de tijd) en een uiterst virtuoze en expressieve vioolsolo die door zijn hoge ligging als vanzelf de blik naar de hemel richt. Een heel mooie aria is dit.

Tenslotte, in het daarna volgende recitatief, legt de zanger zijn lot geheel in Gods hand en daalt, als Simeon, af in het graf - natuurlijk op een dalende melodie - waarna Bach hem een fragment uit zijn voorgaande aria laat herhalen. 

Da bleib ich, da hab ich Vergnügen zu wohnen’‘

 

Commentaren op deze cantate zijn eigenlijk altijd in superlatieven. Robertson vergelijkt de bas-aria met ‘Schlummert ein’ uit de grote cantate BWV 82 en Schuhmacher noemt in dit verband zelfs ‘Erbarme dich’ uit de Matthäus Passion. Kunnen we nog verder gaan in onze lofprijzingen? En natuurlijk zijn er vele uitvoeringen van deze cantate. Nee, ik zeg deze keer niets over de uitvoering van Philipp H. Laten we het hebben over zanger Max van Egmont want daar bezit ik twee uitvoeringen van. Favoriet is zijn uitvoering met Concerto Amsterdam. Dat is een heel sobere, welhaast berustende versie van deze aria. Uit 1967 is deze opname en 18 jaar later volgt dan een tweede versie die hij met Gustav Leonhardt zal maken. Mooi.

 

 

 

 



 


27-01-13 Op deze natte zondagochtend - het is ons exact zo  voorspeld - is de dooi nu ingezet en ik ga over glibbervies ijs en water richting Westerkerk. Daar wacht een verrassing. Een solocantate (bijna solo) hoor je toch al niet zo vaak in de Wester maar dit keer dan toch een keertje wel en de solist is Max van Egmond. Jawel, dat is een verassing. Al tien jaar, nee al veel langer, zie ik hem daar staan, achteraan in dat koor met altijd hedendaagse solisten die daar mogen aantreden op een verhoging voor het koororgel. En dan vraag ik me af hoe zijn stem nu zal zijn, waarom wordt hij nooit gevraagd of wordt hij misschien wel gevraagd maar wil hij niet meer solo zingen of kan hij dat niet meer. En nu ineens staat hij daar. Hoe oud zal de man zijn? Ik moet dat thuis eens opzoeken. En ja, het is mooi, die stem vult de hele kerk. Wat zou een recensent hiervan zeggen? Wellicht dat hij in de versieringen niet meer zo trefzeker is als 47 jaar geleden? Dat de stem toch iets aan glans heeft ingeboet? Ach nee, ik ben geen muziekrecensent, dit is mooi en Max van Egmont mag vaker aantreden.

 





 verder met cantate 22 >> 


Ziehier een wat onbeholpen maar toch wel enthousiaste uitvoering van die mooie bas aria. Hierna volgt de periode als Kapelmeister aan het hof van Köthen waar Bach geen kerkelijke cantates zal componeren. Wel schrijft hij er seculiere cantates die hij later in Leipzig zal omwerken naar kerkmuziek. De eerstvolgende kerkelijke cantate die hij schrijft is tevens zijn auditie voor Leipzig