purificatie (festo purificationis Mariae) bwv 83 erfreute Zeit im neuen Bunde

bwv 125 mit Fried und Freud ich fahr dahin

bwv 82 Ich habe genung!





Cantate 157 wordt wel geassocieerd met het feest van Maria Lichtmis. Maar het begint zijn bestaan als rouwmuziek. Om precies te zijn; het is muziek voor bij een herdenkingsdienst. We zijn hier bijeen in Pomßen bij Leipzig en we herdenken de drie maanden eerder overleden Johann Christoph von Ponickau, kamerheer aan het hof van Saksen. Het is donderdag 6 februari 1727, vier dagen na de eerste uitvoering van cantate 82. Het is een klein gezelschap van uitvoerenden dat hier aantreedt, een bescheiden bezetting past bij de kamermuzikale uitvoeringsomstandigheden in deze kerk.


De tekst van de cantate is van de dichter Picander, alias Christian Friedrich Henrici. De muziek is slechts bewaard gebleven dank zij kopieën uitgeschreven door Christian Friedrich Penzel, een latere kantor van de Thomaskirche en hij deed dat vanaf 1760. De partituur en de verschillende partijen zijn onafhankelijk van elkaar gekopieerd en er zijn onderling grote discrepanties. Inmiddels is duidelijk geworden dat niet het origineel uit 1727 aan de basis heeft gelegen van die partituur. Klaus Hofmann van het Bach-Instituut te Göttingen heeft dat aangetoond en hij heeft ook een reconstructie van de vermoedelijke originele versie gemaakt (1984).  


Het eerste deel van deze tweedelige cantate kan een later jaar probleemloos hergebruikt worden voor het feest van Maria Lichtmis (2 februari). Dat doet Bach dus. De evangelietekst voor die dag verhaalt van de ontmoeting van Jezus, als hij veertig dagen na zijn geboorte door zijn moeder in de tempel wordt geïntroduceerd, met de oude Simeon die dan verklaart dat hij bereid is te sterven nu hij de beloofde Heiland heeft gezien. 


Het openingsduet (1) is geschreven voor de zachte, gedempte klanken van traverso, hobo en soloviool, die samen met de twee vocalisten een vijfstemmig concertstuk uitvoeren boven een basso continuo. De tekst heeft Picander ontleent aan het oud-testamentische boek Genesis (32:27) waar Jakob met een engel worstelt. De muziek verbeeld echter niets van een worsteling maar lijkt eerder de verbeelding van een intieme broederschap te zijn: bas en tenor imiteren elkaar voortdurend. 


‘Ich lasse dich nicht’


Deze tekst wordt in de volgende delen meer expliciet betrokken op het vasthouden van Jezus. Zo wordt in de aria voor tenor (2) dat vasthouden met lange noten uitgebeeld, en het ‘Gewalt’ met springerige coloraturen. De tenor krijgt nog een apart recitatief maar in de bas-aria zijn drie recitativische passages geheel geïntegreerd. Een pretentieloos stuk mogen we het wel noemen, begeleid door viool en fluit. Het slotkoraal blijft vasthouden aan de intieme sfeer, het is ongetwijfeld voor slechts enkele stemmen bedoeld geweest.


In deze cantate hoor je een flauwe echo van cantate 82, een paar dagen eerder uitgevoerd, maar zonder die intensiteit te bereiken. De cantate komt juist het beste tot zijn recht in de uitvoering van Leonhardt. Hij begint met een heel tere aria en is ‘ook verder heel goed te doen’ zeg ik dan als commentator. Kurt Equiluz zingt een prachtige tenorpartij en de uitvoering heeft, en zo is het ook bedoeld, een intiem kamermuziek-achtig karakter. Heel subtiel, veel oog voor detail en een prachtige pregnante hobo daarbij.








de cantates de cantates de cantates cantates de cantates de cantates  nu bwv 84