Monogram Johann Sebastian Bach







andere cantates voor de derde zondag na Driekoningen

 bwv 72 alles nur nach Gottes Willen

 bwv 73 Herr, wie du willt

bwv 111 was mein Gott will, das gscheh allzeit


Hoogstwaarschijnlijk bedoeld voor de derde zondag na Driekoningen op een tekst van postbode Picander en met als thema Christus die de zieken geneest. In Bach’s leven worden helaas maar weinig zieken genezen. Het is 1729 en in de drie jaren die hieraan voorafgaan wordt hij meer dan ooit aan de genade van God overgeleverd na een reeks tegenslagen (‘Herr, wass du wilt soll mir gefallen’) waarvan hij nooit volledig zal herstellen. De vreugde over zijn tweede huwelijk met Anna Magdalena wordt bekroond met de geboorte van maar liefst vier gezonde kinderen, maar in juni 1726 sterft hun eerste kind Christiana op de leeftijd van drie, twee maanden na de geboorte van hun vierde. Een jaar later verliezen ze hun pasgeboren kind drie dagen na de geboorte. Voorjaar 1728 is Anna Magdalena opnieuw zwanger en ze is bang. In september van dat jaar sterft hun derde kind Christian op de leeftijd van drie en een half jaar. Drie weken later geeft Anna Magdalena het levenslicht aan een meisje dat, vanwege haar zwakke gezondheid, thuis gedoopt wordt. Maar mogelijk is het Anna Magdalena zelf die op dit moment zwak is, in het licht van onuitgesproken verdriet en post-natale uitputting. Zij is op dit moment pas 28 jaar oud. Gaat Bach ook haar verliezen?


Rond 1729, dat melden alle biografen, lijkt zich in het leven van Bach een crisis voor te doen. Robert L. Marshall:


“In 1728/29 was er een achteruitgang in compositorisch werkzaamheid die in elk opzicht even opvallend is als de productiviteit in de eraan voorafgaande jaren. Er zijn verschillende uiteenlopende verklaringen aangevoerd voor de crisis die Bach doormaakt na de voltooing van zijn cantatecyclus.”


En dan gaat het vervolgens over de onophoudelijke onenigheid met de autoriteiten, hoe hij jarenlang in beslag lijkt te worden genomen door het gevecht om persoonlijke invloed te verwerven. Maar Maarten ‘t Hart zoekt de oorzaak dichter bij huis:


“Zoveel sterfgevallen in zo’n korte tijd, en dan nog wel sterfgevallen van voornamelijk kleine kinderen. Het moet hem en zijn vrouw Anna Magdelena erg aangepakt hebben. Er is niets wat ouders meer aangrijpt dan de dood van een kind. In het gezin van Bach stierven, nadat hij eerst al een zoon had gekregen die mentaal geretardeerd was, zomaar achter elkaar zeven kinderen. Dat moet ongelofelijk ingrijpend zijn geweest. Deze gebeurtenissen hebben Bach’s scheppingskracht aangetast méér dan iets anders.”


Er wordt nogal eens verondersteld dat kindersterfte in de zeventiende en de achttiende eeuw lang niet zo hard aankomt als in de huidige tijd. De biografen van Bach besteden veel aandacht aan de conflicten met superieuren maar over die verbijsterende kindersterfte hoor je niets. Is het denkbaar dat al die biografen over het hoofd hebben gezien hoe al die sterfgevallen Bach moeten hebben geraakt, juist omdat zijn muziek doorgaans zo’n welhaast blijmoedige aanvaarding van de dood lijkt te verkondigen?


“Komm, sanfter Tod, und führ mich fort”


Dat zingt de bas in cantate 157. Dergelijke regels zet Bach vrijwel altijd beeldschoon op muziek. Niet zelden lijkt er zelfs sprake te zijn van een echt doodsverlangen. Sommige cantates, waaronder ook 156, zijn van het begin tot het einde doortrokken van dat doodsverlangen.


De uitvoeringen van Rilling en Gardiner ontlopen elkaar niet zoveel. Het commentaar van Maarten ('Van begin tot eind een wonder') vind ik overdreven. Persoonlijk vind ik met name de alt-aria nogal mooi in een cantate die ik verder alleen als 'aardig' betitel. En dan is er natuurlijk die simpele hobo melodie in de Sinfonia. Dat is prachtig. Later zal Bach deze muziek opnieuw gebruiken voor het langzame deel van zijn klavecimbelconcert BWV 1056. En het wordt ook  gebruikt om een reconstructie te maken van een verloren geraakt hobo concert.


Bronnen:Marshall/Tatlow/'t Hart. Hierna volgt dan cantate 159.





                                                                                   



Maarten ‘t Hart in zijn boek over Johann Sebastian Bach:

 

Als Bach het woord graf verklankt - een woord dat buitengewoon vaak in zijn teksten voorkomt - zet hij dat woord haast altijd op een bijzonder lage basnoot, bijvoorbeeld in cantate 156 (‘Ich steh’ mit einem Fuss im Grabe’), in cantate 56, in cantate 1, in cantate 54 en - heel opvallend - in cantate 78. In de partituur zie je dan een heel lage noot, ergens in de diepte zwevend, met extra lijntjes. Met zo’n diepe, lage noot geeft Bach dan, naïef realistisch zou je kunnen zeggen, aan hoe diep onder de grond het graf ligt. In dat geval gebruikt Bach één noot om in de partituur grafisch een graf weer te geven, zoals hij elders het woord slang aangrijpt om met zestienden in de partituur een reptiel te tekenen. Of de voorhang in de tempel (het gordijn wat scheurt bij de dood van Jezus) met simpele toonladders. Kortom: Bach is een uitgesproken realist.