voor de eerste zondag na Epifanie (Driekoningen)

liebster Jesu, mein Verlangen BWV 32

meinen Jesum laß ich nicht BWV 124



Is het een premiere, de uitvoering van deze cantate zo halverwege Bach’s eerste jaar in Leipzig? We weten wel met zekerheid dat de cantate 'Mein liebster Jesus ist verloren' wordt uitgevoerd op 9 januari 1724 en dat hij later nogmaals wordt uitgevoerd. Maar de cantate zou eerder geschreven kunnen zijn tijdens Bach’s tijd in Weimar en ook is het mogelijk dat de individuele delen stammen uit verschillende periodes. In de visie van Alfred Dürr is de hypothese dat het een parodie is apert onjuist dankzij de overduidelijke relevantie van de teksten in de eerste aria’s.

Het handelt alles over de 12-jarige Jezus in de tempel maar de (onbekende) tekstschrijver verleent daar een universele waarde aan. Belangrijker is voor hem de aktualiserende, allegorische duiding die we aan deze geschiedenis kunnen geven. Tenor en alt representeren dan twee hedendaagse zondaars die door eigen toedoen (schuld) het zicht op Christus hebben verloren en vervolgens van de bas (de Vox Christi) leren dat zij Hem in de kerk, in woord en sacrament kunnen terugvinden. Dat verhaal levert het format voor de preek.

Wanhopig betreurt de tenor het smartelijk verlies van Jezus. Die hoogst gevoelvolle aria is gebaseerd op een dalende ostinato continuopartij en een ongemakkelijk chromatisch lamento. Hier horen we niet, zoals gebruikelijk in een openingsdeel, alle aanwezige instrumentalisten (tutti) ter begeleiding van de solist, we horen slechts strijkers. Het onderstreept zijn verlatenheid. En ook de toonsoort is zonder meer onprettig, een melancholisch b-klein; een sterk contrast met hoe de cantate later zal eindigen namelijk in een juichend D-groot (eveneens met 2 #). In een zuchtende driekwartsmaat spelen de strijkers schurende harmonieën boven een basfiguur met een sterk ostinato ritme. Wanneer in het middendeel van de aria de tenor zich realiseert wat Jezus' afwezigheid voor zijn zieleheil zal betekenen schieten na het woord 'Schwert' de strijkers als een steekvlam omhoog, om vervolgens met tremoli een onheilspellend gerommel te produceren op onaangename akkoorden bij het ‘Donnerwort’.

Meer vredig is de wiegende alt-aria (4). Opvallend is daar het ontbreken van de instrumentale bas (orgel, cello, fagot, violone etc); ter vervanging spelen de hoge strijkers unisono een bassetchen, een schijnbaar aan de aarde ontstegen fundament wat we o.m. kennen van de Aus-Liebe’ aria uit de Matthäus-Passion. Het staat bij Bach meestal voor zuiverheid, naïeviteit, onschuld (maar ook wel voor ontworteld zijn, zonder vaste grond onder de voeten). In deze transparante aria wil de alt samen met die twee zoekend om elkaar heen wentelende oboe d'amore voorkomen dat ons het zicht op de Heiland ontnomen wordt.

De afwezigheid van een bas-aria is opmerkelijk, temeer daar Bach een schildering van Jezus geeft, verborgen achter de wolken. Wel horen we een bas arioso, in feite het keerpunt in deze cantate met daarin de woorden: 

'Wisset ihr nicht , dass ich sein muss in dem das meines Vaters ist'. 

Het geweldig mooie duet (7) vormt een volledig contrast met de openings aria. Hier domineert dan uiteindelijk de toonsoort van D groot, immers 'Wohl mir, Jesus ist gefunden'. Horen we hier Maria en Jozef? Horen wij hier onszelf? We horen hoe dan ook een ongeremde vreugde waarin nu alle instrumentalisten (tutti) deelnemen en waar het ostinate, voortdurend herhaalde basritme ‘pa-pa-dam-dam' het tempo aangeeft. Waar Bachs tekstdichter voor de twee laatste regels van een tweedelig metrum (kort-lang, trochee) overgaat op een driedelig (kort-lang-kort, amfibrachus) schakelt ook Bach over van een 4/4 naar een  - niet minder feestelijke - 3/8 maat, waarbij de - tot nu toe - homofone zangpartijen overgaan in een canon. Jawel, het is mooi.

Vestdijk, die alle cantates beoordeeld, zegt vreemd genoeg niets over dit opvallende duet, maar geeft wel een hoog cijfer voor de cantate als geheel. Hij is erg te spreken over de alt-aria in 12/8 maat. Maarten ‘t Hart zegt dat Bach nog mooiere alt-arias in deze maatsoort gecomponeerd heeft, b.v. in BWV 170, en ‘Erbarme dich’ uit de Matthäus. En ik zeg dat dit een prachtige cantate is, dankzij die 2 koralen maar toch vooral door die alt-aria 'Jesu lass dich finden' en door het duet. Welke uitvoering de voorkeur heeft, ik denk er steeds anders over. Ook de Leusink uitvoering is mooi. Bij Rilling horen we tenor Aldo Baldin en dat is prachtig, drama. En Rilling laat die klavecimbelpartij in de alt-aria weg. Die partij is er later door Bach bijgemaakt maar hij had dat niet moeten doen. Het zicht op de Heiland wordt ons daarmee enigszins ontnomen.

 

 

 

 

 

 

 

woordenlijst:

 

Lamento (Ital., klacht, klaaglied) - benaming voor een doorgaans vocaal muziekstuk van klagend karakter, vooral gebruikt in de opera tijdens de barok, vlak voor het keerpunt in de handeling. Beroemd is het lamento uit de opera Dido and Aeneas van Henry Purcell (When I am laid in earth), dat gebouwd is op een basso ostinato (ground), een chromatisch dalende reeks in de omvang van een kwart. 

 

Ostinato - een kort muzikaal motief dat telkens wordt herhaald. Een basso ostinato is een bas-melodie in een compositie, die de hele tijd een en dezelfde melodie herhaalt. De term is afkomstig uit het Italiaans en betekent: koppig (Nederlands: obstinaat).

 

Tremolo (Italiaans voor trillend) - een manier van toonvorming die vooral op snaarinstrumenten wordt toegepast, door de snaar voortdurend snel achter elkaar aan te slaan of aan te strijken. Dit levert vaak een 'spannende' klank op.

 

Tutti - De gehele, 'volle' groep van instrumenten in tegenstelling tot de groep solospelers (concertino). 

 





 

Vervolg uw cantate-trip hier met BWV 73, 'Herr, wie du willt' >>