Monogram Johann Sebastian Bach





ook voor de zondag na nieuwjaar

bwv 58 ach Gott, wie manches Herzeleid



Deze cantate opent nu eens niet met een ingewikkeld koorwerk maar met een simpel vierstemmig koraal op de wijze van de hymne 'Ach Gott, vom himmel sieh darein'. En ook voor het overige is het aandeel voor het koor zonder meer eenvoudig. Daar is een simpele verklaring voor; het koor van st. Thomas is moe. Het schema voor de afgelopen weken, Bach’s eerste kerstprogramma in Leipzig, is nogal overweldigend geweest; drie cantates voor de drie kerstdagen (BWV 63, 40, 64), het Magnificat BWV 243A met de vier bijbehorende antifonen, het Sanctus BWV 238 en dan die massieve Nieuwjaarscantate van gisteren, BWV 190. Met in het vooruitzicht (over vier dagen) een gloednieuwe cantate voor Driekoningen (BWV 65) die zal openen met een buitengewoon veeleisend openingsdeel moet vandaag het koorleven erg eenvoudig zijn. Daarom ontziet Bach het koor door slechts drie eenvoudige koralen te programmeren. 

 

Wie deze cantate, bestemd voor de eerste zondag in het nieuwe jaar, beluistert na BWV 190, die stond op het programma voor de vorige dag, ervaart de verandering van stemming als zeer opmerkelijk; het werkt bijna als een schok. Waar eigenlijk alle Nieuwjaarscantates feestelijk zijn, in dankbaarheid op het oude jaar terugkijken, zijn die voor de daarop volgende zondag eerder gepijnigd, wrang. Wat gebeurt er in die korte tijd? Hebben we onze Nieuwjaarsvoornemens een dag later alweer gebroken en maakt dat ons schuldig? Wat een vreemde en onverklaarbare cesuur in dat kerkelijk jaar.

 

Cantate 153 lijkt dan te beginnen met een onschuldig vierstemmig koraal maar wel met de dringende suggestie dat het gebracht moet worden als een collectieve schreeuw, een lawaaiig pleidooi, hier worden onze belagers aan God voorgeleid:

 

‘Schau, lieber Gott, wie meine Feind, damit ich stets muss kämpfen, so listig und so mächtig seind, dass sie mich leichtlich dämpfen! Herr wo mich deine Gnad nicht hält, so kann der Teufel, Fleisch und Welt mich leicht in Unglück stürzen’.

 

Ai! Het lijkt wel alsof we iets essentieels gemist hebben in de kerkelijke logica maar het is nu eenmaal zo; het evangelie voor deze zondag (het is nu 2 januari 1724) handelt over Herodes’ massamoord op de onschuldige kinderen, de vlucht naar Egypte en meer in het algemeen is dit een aanklacht tegen vervolging en lijden. We horen het alt recitatief:

 

‘Ach, hilff doch, hilff mir Amen! Ich wohne hier bei lauter Löwen und bei Drachen, und dieser wollen mir durch Wut und Grimmigkeit in kurzer Zeit den Garaus völlig machen’. 

 

Dat laatste wil zoveel zeggen als ‘volledig vernietigen’. De bas aria 'Fürchte dich nicht' moet vervolgens gerusstellend zijn evenals het koraal halverwege de cantate maar andere, sterk contrasterende aria’s en recitatieven houden langdurig de overhand. Strakke, gepuncteerde ritme’s en unisono passages karakteriseren de stemming van de tenoraria in A klein (‘Stürmt nur, stürmt, ihr Trübsalswetter’) die wel iets weg heeft van die aria vol wroeging van Petrus uit de Johannes Passion ‘Ach mein Sinn’ die Bach een paar maanden later zal presenteren aan zijn Leipziger gehoor. Wat meer gevoel voor proporties wordt daarna bereikt in het bas recitatief (6) gevolgd door een troostend arioso en uiteindelijk is daar dan de aria in G voor de alt (8) die de gelukzaligheid mag schilderen van de 'ewige Freuden' in de hemel. Dit is onmiskenbaar een menuet en het zou qua oorsprong, heel goed een parodie van een wereldse aria kunnen zijn. In de laatste zinnen is daar een verschuiving in het tempo, een versnellen tot een allegro zodat het menuet daar tot een snelle passepied wordt waarin we de haast van de berouwvolle zondaar verbeeldt zien als hij de hemelpoorten wil binnengaan.

 

Een hard oordeel over deze cantate treffen we aan bij Simon Crouch. Hij meent dat deze slechts geschreven werd om het zware leven van de koorleden wat te verlichten.

 

‘Bach wrote a cantata like this to ease his chorister's lives. Unfortunately, it shows. The remainder of the cantata is made up of three arias which themselves are really nothing special. The first is just plain dull and the second is energetic and frenetic but not especially inspired (and may be a parody of a lost secular cantata movement). However, the third aria (for alto) sounds like a failed attempt at writing a great tune, which at least succeeds in being rather charming.’

 

Maar volgens Schweitzer behoort die alt-aria 'zu Bachs schönsten lyrischen Stücken'. Ook Maarten 't Hart noemt hem bijzonder mooi maar wil hem niet tot de allermooiste altaria's rekenen (die horen we bij BWV 33, 34, 117 en 170). En dan tenslotte het genie uit Poortvliet: Afwisselend, een mooie cantate, passion-achtige recitatieven met veel drama. En dan halverwege dat overbekende koraal. De jongenssopraan bij Harnoncourt valt niet altijd mee en bij Gardiner is alles heel mooi.









ga door naar cantate 65 >>  de cantates de cantates de cantates de cantates de c