cantates voor Derde Kerstdag

bwv 64 sehet welch ein Liebe hat uns der Vater erzeiget

bwv 133 ich freue mich in dir


 

Geschreven voor derde Kerstdag met als consequentie dat Bach het koor van st. Thomas - dat hard gewerkt heeft - alleen een kleine rol toebedeelt in het eenvoudige slotkoraal.

 

De openingsaria voor sopraan domineert het werk en verleent een warme gloed aan de hele cantate. De toonsoort van de aria is G majeur en met een 12/8 maat, een tempo aangeduid met molto adagio en met een begeleiding van fluit, strijkers en hobo d'amore. Die laatste is toegevoegd om zo de eerste violen te verdubbelen. En het is angstaanjagend mooi. Is het de Maagd zelf die hier een slaapliedje zingt voor haar pasgeboren kind of is dit de troost die de kwetsbare gelovige ten deel valt door Jezus’ komst op aarde? Hoewel het onmiskenbaar Bach is en onuitsprekelijk vredig van stemming, hoor je muzikale pre-echo's van zowel Gluck als Brahms, terwijl de arabesken van de fluit zelfs iets als volksmuziek suggereren, misschien wel van Levantijnse of zelfs Baskische oorsprong. Elke associatie met het mijmeren van de Madonna is snel verdwenen op het moment dat het 'B-gedeelte’ losbarst in een extatische alla breve vreugdedans, deels gavotte, deels gigue. Hoe dan ook; een dans!

 

'Hart en ziel zich verheugt U'

Fluit, sopraan en de eerste violen juichen hier in een stijl en stemming die herinnert aan de muziek die Händel schrijft, als hij als jonge man, in Italië voor het eerst in aanraking komt met de werken van Scarlatti en Steffani. Na de dans is er de terugkeer naar het wiegelied. 

Het is onvermijdelijk; deze inspirerende aria overschaduwt alles wat hierna volgt. Een paar secco recitatieven (nrs. 2 en 4) omlijsten de alt-aria 'In Jesu Demut', een lofzang op de spirituele rijkdom die we kunnen vinden in Jezus’ armoede en nederigheid. De 'slingers van zegen' (Segenskränze) waarover in het B-gedeelte gesproken wordt lijken een inspiratiebron voor de hele aria, met inbegrip van de melodische lijnen in de reguliere baspartij. 

De achtste strofe van Nikolaus Herman koraal 'Lobt Gott, ihr Christen allzugleich'(1560) waarmee de cantate eindigt is ronduit stevig. Er moet een extra dosis feestelijke spiritualiteit tot leven gebracht worden, een beetje zoals de brandewijn de Christmas pudding in vuur en vlam zet.

 

Alle commentaren bij deze cantate verwijzen naar die ene aria, nl. die voor de sopraan.

Dürr:

"Die Eingangsaria gehört zu den glücklichsten Eingebungen Bachs."

Whittaker:

"To the soprano is alloted one of the most supremely beautiful arias in the whole range of the cantates."

't Hart:

"Het is niet zo maar een aria, het is een heel fluitconcert. Ik kan niet begrijpen dat zo'n stuk als dit niet wereldberoemd is en dat het niet, zoals de vier jaargetijden van Vivaldi in tientallen uitvoeringen voorhanden blijkt. Ik herinner me als de dag van gisteren dat er warempel een Nonesuch-opname van deze cantate verscheen. Die heb ik toen drie weken lang elke dag zo'n tien keer gedraaid. Dit is niet alleen Vestdijk ontgaan maar ook zoveel anderen. Ik begrijp er niets van dat tienduizenden de Matthäus Passion noot voor noot kennen, maar nog nooit de sopraan-aria uit cantate 151 hebben gehoord."

Nieuwkerk:

"Pas als ik Rilling beluister ga ik deze cantate waarderen. Prachtige zang, de sopraan-aria springt eruit."

Dat wordt bevestigd door Maarten die meldt dat de hoge stem van Nabuko Gamo-Yamamoto een regelrechte sensatie is. Wel is, zegt hij, de dwarsfluit vals en wordt de muziek zo gebonden gespeeld dat ze stroperig lijkt. Maar persoonlijk hou ik wel van dat soort romantiek.

Deze cantate bezit ik ook in een versie met Pears/Britten. Die voegt niets toe aan wat Rilling doet en van Harnoncourt was ik dus helemaal niet enthousiast geworden. Dan zit ik alweer op één lijn met Maarten die zegt dat het orkest daar zo akelig dof klinkt, het lijkt alsof men in een bushokje musiceert. En de jongenssopraan is van een zodanige nagalm voorzien dat het lijkt of het kind zijn valse noten in een zwembad voortbrengt. Treffend verwoord!


 

 










verder met bwv 28>>  de cantates