meer cantates voor de eerste zondag na Pasen (beloken Pasen)

bwv 158 der Friede sei mit dir

bwv 42 am Abend aber desselbigen Sabbats

bwv 67 halt im Gedächtnis Jesum Christ

 

Arnstadt, de oudste stad van Thuringen, is ooit het zenuwcentrum van de familie Bach, een broedplaats voor hun muzikale aktiviteiten sinds 1640. Ook is het de zetel van een klein prinsdom, geleid door Graaf Anton Günther van Schwarzburg, die sinds de dood van Johann Christoph, oom van Bach en hofmusicus steeds heeft uitgekeken naar een ander lid van de familie ‘want hij moet en zal opnieuw een Bach hebben’. Het kost hem acht jaar om deze te vinden. 

Op een dag in juni 1703, beweegt zich een privékoets bij het kasteel van de graaf in Weimar met daarin de achttienjarige Johann Sebastian Bach, op dat moment een eenvoudige bediende aan het hof (officieel geregistreerd als ‘de lakei Bach’). Hij is hier om het nieuwe orgel van de zojuist herbouwde Bonifatiuskerk te inspecteren. Zijn de 800 florijnen die het graafschap betaalde aan orgelbouwer J.F. Wender goed besteed geweest? Op de nu volgende dagen zal de vroegwijze Bach zijn indrukwekkende, technische know-how te voorschijn halen; het doormeten van de druk door het aanblazen, de dikte en de kwaliteit van de pijpen (zou Wender op niet-zichtbare plaatsen mogelijk lood gebruikt hebben in plaats van tin?), het stemmen van de tongen, het touché, de reactie van de aangeslagen toetsen enz. Niemand test orgels ‘zo streng en toch ook zo eerlijk’ zal C.P.E. Bach later verklaren na zijn vaders dood. ‘Het eerste wat hij, schertsenderwijs, zal zeggen bij een test is “Eerst en vooral moet ik weten of het orgel goede longen heeft” en om dit uit te vinden zal hij elke registerknop uittrekken en spelen in de meest volledige en rijke textuur. Op dat punt aangekomen trekt een orgelbouwer menigmaal bleek weg’. Maar men hoeft zich hier geen zorgen te maken; de jonge onderzoeker lijkt tevreden. Wender krijgt zijn certificaat en de Burgermeister vraagt Bach of hij bereid is nog even te blijven tot zondag om het orgel ‘met publiek’ in te wijden, een nauwelijks verhulde auditie blijkt dat te zijn, de betrekking van organist is vacant. Bach speelt dat inaugurale recital op de feestdag van Johannes de Doper. Hoogstwaarschijnlijk daarbij inbegrepen is zijn enerverende showstopper de D mineur Toccata en Fuga (BWV 656) waarna hij vervolgens zijn volledige salaris ontvangt plus een onkostenvergoeding, alles gefinancierd uit de opbrengst van de stedelijke accijns op bier. Een paar weken later wordt zijn aanstelling als organist bevestigd tegen een salaris dubbel zo groot als dat van zijn vader, stadspijper te Eisenach. Graaf Schwarzburg heeft zijn Bach - althans voorlopig.....

Van cantate BWV 150 ‘Nach dir, Herr, verlanget mich’, wordt nu toch algemeen geaccepteerd dat het Bach’s allereerste kerkcantate moet zijn geweest, in Arnstadt geschreven in de periode dat hij er als organist werkt, zeer waarschijnlijk bedoeld voor een uitvoering in diezelfde Bonifatiuskerk die inmiddels naar Bach vernoemd is.

Maar de authenticiteit van BWV 150, waarvan onbekend is voor welke gelegenheid of wanneer het geschreven is, wordt erg lang betwijfeld. We kennen de cantate dan ook alleen dankzij een kopie die in 1753 (dus na Bach’s dood) opgetekend wordt door één van Bach’s studenten. Er wordt daarom lang verondersteld dat het werk gecomponeerd is door een leerling onder leiding van Bach. Of, andere mogelijkheid, dat het alleen maar door hem gecorrigeerd wordt, ongeveer op de wijze waarop een werk van Rembrandt geschilderd is door een leerling, maar wél in zijn atelier. Duidelijk is dat het iemand uit de onmiddelijke omgeving van de componist moet zijn geweest. En er is een tekstdichter aan het werk met enig gevoel voor humor. Immers, wat hij er van maakt is een acrostichon, een naamdicht. De laatste vier regels van het slotkoraal beginnen met de letters B-A-C-H, en verder brengt hij zijn ontzag voor de 20-jarige Bach tot uitdrukking met het woord D-O-K-T-O-R, dat zit in de sopraan-aria. Inmiddels weten wij dat Bach himself allerlei letterreeksen, getallensymboliek, soms zelfs zijn handtekening in zijn composities verwerkt. Is het dan wellicht toch Bach zelf die hier als tekstdichter optreedt en nu voor het eerst zijn - wat ironisch bedoelde - handtekening in de cantate zet;

DOKTOR BACH

Speculaties te over. De volledige onbekendheid waar het werk geschreven werd, wanneer en voor welke gelegenheid, het heeft velen beziggehouden. Bij de Suzuki uitgave wordt ons nog gemeld dat het finale deel ontleend is aan een chaconne van Pachelbel. Wat er op zou wijzen dat het werk bedoeld is als een eerbetoon aan deze componist, overleden in 1706. Ach ja, heerlijk speurwerk is het.

In BWV 150 zijn toch wel veel kenmerken te vinden die erop wijzen dat we hier met een ‘echte Bach’ van doen hebben en niet met een werk uit zijn ‘atelier’. En dat het een vroeg werk is weten we omdat hij tijdens deze jaren van zijn leven nog volop bezig is met het ontwikkelen van de cantatevorm, een vorm die hij pas in Leipzig verder zal perfectioneren. In de werken die we kennen uit zijn eerdere periode in Mühlhausen ontleent hij de hoofdstructuur steeds aan de inbreng van het koor. Het koor zingt in het begin, in het midden en aan ‘t einde van de cantate. Zo ook in BWV 150. Daarnaast wordt elke cantate door hem voorzien van een intrumentale inleiding (sinfonia) die het intrumentarium presenteert. Ook die is hier aanwezig. Een ander kenmerk van de cantates uit die vroege periode is Bach’s vlotte verkenning van de diverse toonsoorten. Dit is in het begin van de 18e eeuw mogelijk geworden door de uitvinding van de gelijkzwevende stemming. En inderdaad,in deze cantate moduleert Bach er lustig op los, en hij schroomt ook niet om alle harmonische en chromatische mogelijkheden en grenzen te verkennen. Recitatieven, zoals hij ze later gaat schrijven, ontbreken hier. Dat klopt want hij leert die vorm pas later kennen vanuit de Italiaanse opera. Wat verder opvalt is de afwisseling van tempi binnen de verschillende delen. Zo bestaan alle koordelen hier uit largo, allegro en largo. Een vorm die het geheel zeer levendig en boeiend maakt maar die Bach later niet meer gebruikt. In deel 4 'Leite mich' waar de stemmen het van elkaar overnemen horen we een opmerkelijke schildering van de woorden. Typisch Bach. Het koorgedeelte 'Meine Augen sehen stets zu dem Hernn' kan in tweeën verdeeld worden waarbij het eerste deel een prelude vormt op de daarop volgende fuga. Ook dat is zeer kenmerkend voor hem. De aria’s (3 en 5) hebben nog niet de strenge da-capo-structuur die hij later zal hanteren. Het finale deel is een Ciacona, een vorm die uit puur instrumentale muziekvormen is afgeleid en ook dat zal hij de rest van zijn componistenleven blijven doen.

Is het ook mooi? Bij een uitvoering in ‘de Duif’ in januari 2006, gaat het pas echt mooi worden als het terzets weerklinkt en dan zijn we al een flink eind onderweg. En in november van het jaar daarop is dat ook weer zo. Dat is op een zondagochtend en de plaats van handeling is Haarlem, om precies te zijn de doopsgezinde kerk, een nogal verdekt opgesteld Godshuis achter de Grote Markt. BWV 150 is hier ingebed in een lange kerkdienst, het is het einde van het kerkelijk jaar en vele doden worden herdacht. Maar we worden beloond. Het koor (waarin ook Thijs Timmermans figureert) zingt mooi en ook nu weer bij het terzetto worden we allen nog wat verder omhooggetild naar een toch weer andere dimensie. Prachtig wat daar in die zoevende continuopartij gebeurt, die fagot, dat stemmenweefsel daarboven. Het is een mooie cantate.

Hierna kun je eventueel naar Brinkman gaan waar wellicht sherry te krijgen is met een spekpannekoek daarbij. Misschien ligt er ook wel een VN met een beschouwing over Rufus Wainright. Die trad deze week op in onze hoofdstad en dat heb ik gemist. Maar ja, je kunt niet alles hebben. Vanmiddag BWV 140? Dan moet ik nu terug naar Amsterdam. En wie meer wil lezen over deze cantate, de onvolprezen Eduard van Hengel gaat nog dieper op dit alles in. Wie deze behoefte voelt hanteert deze link naar de web-site Eduard van Hengel.

 

 

 





de op één na oudste cantate zou 131 kunnen zijn >>