Monogram Johann Sebastian Bach







andere cantates voor de derde zondag na Pasen (Jubilate)

  bwv 12 weinen, klagen, sorgen, zagen 

bwv 103 ihr werdet weinen und heulen


We horen hier een on-cantate-achtige ouverture met een bijzonder leuk orgeltje, althans dat horen we bij Harnoncourt en bij Rilling. Maar Gardiner gebruikt - zeer tegen zijn gewoonte in - nu juist een reusachtig kerkorgel waardoor de bij hem zo gebruikelijke lichtheid juist verkeert in het tegendeel. Maar wat pakt het prachtig uit.

Maarten meldt dat hier het eerste deel uit het klavecimbelconcert in d-klein BWV 1052 klinkt en daarna zelfs ook het tweede deel waarbij aan dat tweede deel, wat naar zijn smaak toch al volmaakt is, zowaar een koorpartij blijkt te zijn toegevoegd. Wat die bewerking zo verbijsterend maakt is dat die zo allemachtig goed is uitgepakt. En dat terwijl Bach zich hier vergrijpt aan een van zijn allermooiste langzame delen. Het wekt al met al de indruk dat we aan een uitbundige feestcantate zijn begonnen. Niets is minder waar. In deel 2, het koor ‘Wir mussen durch viel Trübsall’ wordt volkomen recht gedaan aan die tekst. Slepend en klagend zingt het koor, terwijl het orgel ook hier een solistische functie vervult. In de alt -aria ‘Ich will nach dem Himmel zu’ (Oh wat mooi) zijn het de soloviool en het continuo die met omhoog gaande loopjes de gang naar de hemel inkleuren. Als de tekst dan zegt ‘Schnodes Sodom, ich und du sind nun mehr geschieden’ brengt Bach suggestieve scheidingen aan tussen de woorden ‘ich’ en ‘du’. Treurnis voert opnieuw de boventoon in het nu volgende sopraan-recitatief. Op zijn bekende wijze onderlijnt Bach de woorden met ‘barokke’ affecten: ‘im Himmel’ krijgt extra zaligheid door een blije 32-ste figuur; ‘mit Weinen’ klinkt door toevoeging van een mol nog droeviger; ‘grosse Freude’ stijgt ver boven de notenbalk uit maar ‘fallt mir schwer’ hangt er juist weer onder aan. Na de sopraanaria volgt een tenor-recitatief waarin de tekst geleidelijk moduleert van geduldig gedragen lijden, via blijde verwachting, naar glorieuze overwinning als inleiding voor het duet voor tenor en bas. Dat mannenduet heeft een heerlijk tempo (vooral bij Rilling) maar als hoogtepunt geldt natuurlijk die lange alt-aria, in de uitvoeringen van Rilling én van Harnoncourt, eindeloos. En vervolgens begint ie weer helemaal opnieuw.

 

De cd-opname van deze cantate van Gardiner wordt door Maarten ‘t Hart in Luister als zeer wisselend betiteld, geldt voor alle werken op die cd die hij daarom van variabele rapportcijfers voorziet, varierend van 5-9. Bij het koor (deel 2) gaan we door de grond, zo prachtig. Maar het eerste deel, de sinfonia, klinkt volgens Maarten miserabel. Rommelig, orgel en orkest niet gelijk. Persoonlijk vind ik het nu juist een prachtig stuk; het kollossale orgel swingt de pan uit! Jammer van de alt-aria waarvoor William Towers ingezet wordt, hij is geen alt maar wat hij dan wel is weet ik niet. 

 

Maar cd-opnames halen het niet bij een live optreden. De Westerkerk-versie is schitterend, ik zit vrijwel vooraan in de kerk op deze muziekzondag, het is de laatste zondag van oktober 2006. Na ontbijt met Bach (Anner Bijlsma speelt in het muziekgebouw) en ‘de Swaen’ (‘s middags en zeer teleurstellend) is dit een prachtig einde van de dag die verder nog wordt ingekleurd door de titanenstrijd Balkenende-Bos op radio 1. In de kerk leest de meneer naast me tijdens de preek ongeneerd in het gratis bibliotheekgeschenk ‘Dubbelspel’ maar legt dit natuurlijk ter zijde zodra de muziek aanvangt. Wat een heerlijk openingsdeel, wat een prachtige alt-aria en wat speelt die man heerlijk die obligate vioolpartij. Een mooie tenor. Ik vind alleen het koor nogal rechtoe, rechtaan zingen onder Hein Meens. De cantate als geheel is een onsamenhangend werk, vind ik, een verzameling van mooie delen zonder enig verband.



 



de cantates de cantates de cantates de cantates cantates de cantates nu cantate 43