Monogram Johann Sebastian Bach






ook voor Derde Paasdag

bwv 134 ein Herz, das seinen Jesum lebend weiß

bwv 158 der Friede sei mit dir


Er is veel gespeculeerd over het feit dat Bach nauwelijks muziek voor het Paasfeest gecomponeerd heeft. Altijd grijpt hij voor deze gelegenheid terug op eerder geschreven werk, muziek voor de verjaardag van een prins, muziek geschreven voor het Nieuwe jaar. Is alle energie opgegaan aan het schrijven van zijn passiemuziek? Of kan het zo zijn dat het hem gewoon niet zo aanspreekt, de Paasjubel? De Pinksterblijdschap? Mogelijk is dat zo. Hoe bleek steekt het Paasoratorium af bij de immense grootheid van de Matthäus Passion. Eén ronduit schitterende aria telt het Oster-Oratorium en wel op de veelzeggende tekst ‘Sanfte soll mein Todeskummer nur ein Schlummer sein’. Muziek die oorspronkelijk bij een andere tekst is gecomponeerd. Het Paasoratorium is ook al geen originele schepping maar gecomponeerd voor de verjaardag van hertog Christiaan. 

En ook voor cantate 145 grijpt Bach terug op eerder geschreven werk, namelijk opnieuw uit de periode in Köthen. Het origineel is geschreven voor een seculier festijn en nu wordt het gerecycled voor het Paasfeest. We kunnen met Maarten ‘t Hart gevoeglijk stellen; het Paasgebeuren zelf heeft Bach voor geen noot geïnspireerd.

De jaren in Köthen moeten toch wel de gelukkigste geweest zijn in het leven van Bach; dat blijkt wel uit die onstuimige en onbedwingbare van de dans afgeleide muziek die hij nu gaat inzetten voor opstandings-gelieerde festiviteiten. De twee uit de Köthense periode afkomstige delen (1 en 3) van BWV 145 vertonen slechts een ongecompliceerde uitbundigheid en plezier in het musiceren. Maar is het een compleet werk? De cantate is slechts bewaard gebleven in de vorm van een kopie daterend uit de 19e eeuw die tevens een openingskoor van Telemann bevat en een koraal dat mogelijk van Bach zelf is: hoe deze delen precies bedoeld zijn blijkt daar niet duidelijk uit. Maar de teksten van de delen 1-5 verschijnen in Picander’s jaarcyclus van cantates voor 1728/29 en we gaan er dus van uit dat het werk bedoeld is voor de Paaszondag van 1729.

De openingsdialoog tussen de herrezen Christus en de mens wordt gelardeerd met triomfantelijke tonen. Jezus, de mensenzoon vinden we terug in de soloviool. Het daarna volgende secco recitatief introduceert in het arioso aan het slot een bas-aria vol triomf en vol vertrouwen, verder ingekleurd door een orkest bestaande uit trompet, hobo’s die met de violen meespelen en continuo. Het heeft alles een zeer virtuoze stijl en de klankrijkdom van deze aria vormt een groot contrast met wat nu volgt, dat uiterst simpele slotkoraal.

En de cantate is weer voorbij. Ik heb dit werk zelf gekwalificeerd als een ‘onsamenhangende reeks stukjes' die bij Rilling iets beter uit de verf komt dan bij Harnoncourt en Gardiner. 





 

 






de cantates de cantates de cantates de cantates hierna volgt Pinkstercantate 174