andere cantates voor Nieuwjaarsdag  Herr Gott, dich loben wir BWV 16

Lobe den Herrn, meine Seele BWV 143

Gott, wie dein Name, so ist auch dein Ruhm BWV 171

 Jesu, nun sei gepreiset BWV 41


We horen nogal lompe en boerse hoorns als de Leonhardt-uitvoering van BWV 143 de huiskamer binnenvalt. En pauken daarbij. Erg ongebruikelijk allemaal en daarom dat maakt het wel erg apart. Maar liefst 7 deeltjes horen we in slechts 13 minuten en het is van een verrassende simpelheid allemaal. Is dit Bach? We hebben gemengde gevoelens over deze cantate. 


Er zijn lang twijfels geweest over de authenticiteit van BWV 143 en die zijn er nog steeds. Er is, zo lees ik ergens in een toelichting, een ‘gebrek aan verfijning’ en ergens anders wordt het ‘onpretentieus’ genoemd. Als deze cantate van Bach is dan zou het om een heel vroeg werk moeten gaan, uit zijn jaren als organist in Mühlhausen (1707 - 1708), of uit de vroege jaren in Weimar (1708 - 1714). Maar wat een wonderlijke bezetting met die drie corni da caccia (jachthoorns zijn dat) en pauken en dat bij een strijkorkest met fagot. Dit komt verder bij Bach nergens voor. Het wel de eerste cantate waarin een recitatief voorkomt, maar dat gebruikt hij nu juist nergens in die vroege cantates. Vraagtekens, er zijn er vele.


De tekst is gebaseerd op psalm 146 en op een koraal van Jacob Ebert ‘Du Friedefurst, Herr Jesu Christ’. Het openingskoor is afgeleid van het begin van de psalm. Vervolgens horen we een arrangement van het koraal door de sopraan met soloviool en continuobegeleiding. Een kort secco recitatief leidt dan naar de tenoraria in een vrije toonzetting. Vervolgens is daar de bas-aria die weer wel associaties met Bach oproept; het doet denken aan het openingskoor van BWV 71 ‘Gott ist mein König’ zowel door de tekst als door de drieklanksmotieven en ook door de orkestratie met de drie hoorns en pauken. Ook zo’n vroege cantate trouwens. De tenoraria vervolgens is wellicht nog het meest charmante onderdeel van deze muziek. Continuo en fagot zijn hier in een vrijwel onafgebroken duet verwikkeld en vormen zo een mooi decor voor de tenorsolist. Op de achtergrond zetten strijkers plus orgel de melodie in van opnieuw het koraal ‘Du Friedefürst, Herr Jesu Christ’. Dat koraal vormt tenslotte een cantus firmus boven een van vele versieringen voorzien ‘Halleluja’.


En wat vinden we van de verschillende cd-opnames? De Rilling-uitvoering leidt uiteindelijk tot meer positieve berichten ('wél leuk') maar de versie die ik later aanschaf, Rotsch is daar de dirigent, dat is de mooiste. De cantate moet het hebben van de ruimtelijk opgenomen massaliteit die deze opname kenmerkt. Een prachtige ‘ouderwetse’ tenor doet de rest. Maar, als ooit deze cantate van de BWV-lijst geschrapt wordt dan zijn wij - Bach luisteraars - niet verbaasd. Toch?


Laten we maar verder gaan naar cantate 199