Monogram Johann Sebastian Bach








In de late 16e eeuw, verspreidt zich een vreselijke plaag door delen van Europa, de pest heerst, ook in de Duitse stad genaamd Unna. Zo’n 1300 inwoners van Unna sterven gedurende deze uitbraak. Philipp Nicolai (1556-1608) is pastor van een kerk in deze stad. Hij wordt eveneens ziek, en verwacht te gaan sterven. Liggend bereidt hij zich voor op zijn dood en hij noteert zijn meditaties in een dagboek. Als hij dan, tot zijn verbazing, hersteld van zijn ziekte schrijft hij twee hymnes (‘Wachet auf’ en ‘Wie schön leugnet der Morgenstern’) en neemt ze op in het dagboek wat hij tijdens de plaag heeft bijgehouden. Beide hymnes zijn onsterfelijk geworden. 

Cantate 140 is (evenals BWV 1) gebaseerd op de hymne van Philipp Nicolai, een nauwgezette herdichting van de parabel van de tien maagden, zoals beschreven in Mattheus 25:1-13. De drie lange coupletten van het lied en de expansieve melodische lijn plus het concept van Jezus die de gelovige ziel als bruid kiest, inspireren Bach tot een buitengewoon indrukwekkend geheel. De drie delen van de hymne krijgen een plaats in het begin, het midden en het eind onderbroken door twee recitatieven en twee duetten waarvoor een anoniem gebleven librettist uitgebreid gebruik gemaakt heeft van bijbelcitaten uit het Hooglied en uit het boek der Openbaringen.

Over alle onderdelen van dit werk valt veel te zeggen, maar toch vooral van de twee duetten (aria's) die tot de mooiste liefdesduetten behoren ooit op schrift gesteld. Als we ze gaan vergelijken dan is het tweede liefdesduet (6) tussen de anima (de ziel) en haar bruidegom (Christus) veel meer ontspannen, meer opgewekt en meer zorgeloos dan het eerste, echter zonder dat dit ontaard in de gebruikelijke joligheid van een bruiloftscantate. Hier is de verwachting ingelost, de geliefden zijn innig verenigd, muzikaal gezien lopen hun partijen meer dan in (3) het geval was parallel. Aards liefdesgeluk en hemelse zaligheid zijn geheel versmolten. 

Intussen is, halverwege de cantate, het lied van de wachter (4) een briljant dramatisch gebaar. Hoog op de toren kondigt hij de komst van de bruidegom aan met woorden afkomstig uit het Hooglied. We voelen hierbij als het ware een scene-wisseling, een ingrijpende gebeurtenis op het toneel. Terwijl blijkbaar elders in de stad dat intense duet wordt gezongen treffen we hier de wachter die onverstoorbaar zijn lied zingt, misschien fluit hij het wel, die heerlijke melodie die in alle strijkers klinkt en die letterlijk honderden jaren lang Bach-kenners geobsedeerd heeft. Iedereen weet dat dit één van de meest heerlijke melodieën is die men ooit hoorde maar geen mens weet waarom. Juist die gewoonheid is wellicht een belangrijk theatraal gebaar. De wachter staat daar en langs hem heen gaat de schare uitverkorenen haar eigen weg. We horen dan een geheel onafhankelijke, contrapuntische melodie van tot één unisono-stem gebundelde violen. Bach is zich ongetwijfeld bewust van de impact die deze muziek heeft en hij heeft dit werk dan ook voor orgel getransponeerd (BWV 645) en het ook nog geplaatst aan het begin van de Schübler Chorales. En de Britse componist Walton neemt het (enkele eeuwen later) op in zijn balletmuziek ‘Wise Virgins Suite’.

De eenheid in deze cantate wordt bereikt door de manier waarop die is vormgegeven maar ook doordat alle belangrijke motieven zijn afgeleid van de melodie van de oorspronkelijke hymne.


Dit is natuurlijk een wel heel bekend werk, erg mooi. Deze komt al vrij snel in een heleboel versies in de collectie voor. Bijvoorbeeld die van het Munchener Bach-Chor/Orchester o.l.v. Karl Richter èn ook èèn o.l.v. Wolfgang Gönnenwein (dat moet welhaast de oudste zijn). Richter gebruikt een solist in het koraal i.p.v een mannenkoor. Ondanks de grote namen in deze opname vind ik hem een beetje steil. De solisten bij Gönnenwein zijn de absolute top (o.a. Ameling). En later koop ik er nog èèn - nee zelfs twee want het zijn verschillende uitvoeringen blijkt nu - o.l.v. Fritz Werner. Mogelijk is de oudste opname uit 1960 de mooiste. Hoewel hij ronduit slecht klinkt is hij veel sfeervoller dan die latere versie. En Ameling heeft, vind ik, ondanks het mooie van die stem iets gekunselts. Die opname uit 1960, die moet het zijn. Pioniersgeest? In ieder geval is hij veel beter dan die onder Rilling want daar bevalt het tempo helemaal niet. En Gardiner koop ik nu toch ook maar, zij het als tweedehandsje. Hij neemt een ander tempo in het openingskoor. Met horten en stoten komt die trein op gang. En het gaat maar door op die verbeten manier. Ik weet het niet. Altijd weer die pogingen om het anders te doen....

En na het beluisteren van al die opnames is Harnoncourt ronduit een verademing. Wat simpel. Wat heerlijk rechttoe rechtaan. Wat een mooie stemmen. Wat prachtig!


 

En voor wie het nog niet kent, luister










de cantates de cantates de cantates de cantates cantates de cantates de cantates nu 36