Monogram Johann Sebastian Bach







Plaats van handeling is de Dam. Het is immers 4 mei 2010 en we zullen vandaag de doden herdenken. Mijn plek is op de hoek met het Rokin, daar waar je bij Madame Tussaud naar binnen gaat. Aan de andere kant van de zebra gaat een man schreeuwend zijn 'minute of fame' beginnen. Het meest schrikwekkend is de reactie van het publiek. Wat hebben ze gezien dat ze zo hard gaan rennen? Niemand die het weet. 10 minuten later sta je te trillen op je benen. Balkenende klimt het podium op, ach die hele plechtigheid hoeft ineens niet meer zo nodig. Ik heb een kaartje voor het Concertgebouw, laat ik maar vast gaan. 

'Wär Gott nicht mit uns diese Zeit' heet de cantate en de inmiddels stokoude Gustav Leonhardt beklimt het podium, meer dan ooit is hij broodmager en er gaat niet zoveel van hem uit. Werkelijk prachtig is de sopraan aria met die spectaculair kaalhoofdige man, zijn instrument, ultralang is het, schuiftrompet-achtig, steekt hij diep in het orkest en laat vervolgens al het overtollige vocht afvloeien. Jawel, het is fascinerend en erg mooi allemaal. Heb ik thuis al over deze cantate geschreven? Maar natuurlijk.

Het uitgangspunt voor deze cantate is een hymne van Luther, een parafrase van psalm 124. De cantate stamt uit 1735 en het is dus een laat werk. Er resteren nauwelijks cantates uit deze periode maar dit is er één van. Na tien jaar keert Bach terug naar de op koralen gebaseerde structuur, zoals hij die schrijft gedurende zijn tweede cantatecyclus (1724/1725). 

Maar in plaats van met een koraalfantasie te beginnen plaatst hij zich hier voor een nieuwe uitdaging. Elke regel van de hymne wordt op identieke wijze gepresenteerd door de vier vocale partijen, waarbij de strijkers de stempartijen verdubbelen colla parte. De zangstemmen brengen elke zin van het koraal als ware het de expositie van een fuga, onmiddelijk daarna beantwoord met een omkering van de melodie en vervolgens horen we het in uitvergrootte vorm; een plechtige voorstelling door de blazers (unisono hobo’s en corni da caccia). Dat mondt uit in een complexe polyfonie in motetstijl met maar liefst vijf stemmen, zes zelfs als op enig moment de continuo lijn ophoudt de vocale bas te verdubbelen en vervolgens als een zelfstandige partij verdergaat. 

Deel 1 heeft een treffende artistieke vorm die mogelijk pas na verschillende keren beluisteren duidelijk wordt. Het is zeker geen toeval dat zo'n deel, dat een voorbode lijkt van Bach's late contrapuntische werken gevonden wordt in een van zijn laatste kerkcantates. 

De beide hierop volgende aria’s zijn beduidend makkelijker voor het oor, hoewel technisch veeleisend. Die voor sopraan (nr. 2) met een strijkersaandeel wat herinnert aan het derde Brandenburgs Concert bevat de hoorn in zijn hoogste register, een krachtsvertoon als ondersteuning voor de zanger(es) tegenover de vijandelijke tirannie waar de tekst van spreekt. Het evangelie voor de betreffende zondag komt uit Mattheus en handelt over Jezus die de razende storm doet kalmeren op het Meer van Gallilea waar de discipelen in hun bootje ten onder dreigen te gaan. Dit thema, het ligt aan de basis van wat hedendaagse christenen graag bij wijze van metafoor willen zien; het leven als een zeereis. Maar Bach doet hier geen pogingen, zoals in vergelijkbare cantates (BWV 81) om een schildering te bieden van wat zich hier op het meer afspeelt. Hij besteed slechts terloops aandacht aan de storm in dat wat hoekige tenor recitatief (3) en in de krachtige, van een gavotte afgeleidde bas aria (4) die focust op ‘wilden Wellen’ van vijanden die ‘uns aus Grimm entgegenstellen’. 

En die zacht voortkabbelende beweging van vredig voortgaande achtsten in het finale koraal is misschien wel toeval waar de tekst immers spreekt van het zich losmaken van de ziel, een bevrijding uit de gevangenschap, het zich losmaken uit de strikken van de vogelvanger. Nee, blijkbaar heeft Bach het niet langer nodig om al te expliciet blijk te geven van zijn talent tot muzikale schilderingen. Het is een zeer ingehouden palet wat hij hier hanteert. 

Eerst heb ik niet zoveel waardering voor deze cantate, althans dat is mijn eerste reactie bij het beluisteren van de Leonhardt-uitvoering. Dat amechtig hijgende jongetje in combinatie met die blazers... De bas maakt dat met die ietwat sjofele aria niet goed, zeker niet als die bas Philippe H. heet. Maar bij Rilling blijkt de sopraanaria met die hoorn daarbij ineens heel mooi te zijn. Maar tegen het openingskoor blijf ik toch bezwaar houden; misschien komt het door die saaie motetstijl waar ik niet zo van hou? 

Helpt het wellicht als we dan later toch nog een andere uitvoering kunnen bemachtigen? Deze cantate komt nl. ook voor op een cd getiteld 'Kantaten mit Corno da Caccia' waarbij de hoorn (want zoiets moet het zijn) bespeeld wordt door Ludwig Guttler. En hier voltrekt zich het wonder zoals dat later nog zo vaak zal voltrekken; de sopraanaria laat zich plotseling kennen als een zeldzaam mooi werk. En dat wordt dus nog een keer bevestigd op 4 mei 2010. 

En nu snel naar huis want het NOS journaal zal ongetwijfeld aandacht besteden aan de gebeurtenissen op de Dam. Wat is daar toch gebeurd?











Corno da Caccia - Een kleine hoorn voor het spelen in het hoge register. Wordt ook wel Bachhoorn genoemd. Bach schreef een corno da caccia voor in zijn Hohe Messe en in het eerste Brandenburgs concert (twee hoorns). Ook Händel maakte gebruik van dit instrument.


cantates de cantates de cantates de cantates cantates de cantates de cantates nu 11