ook voor de drieëntwintigste zondag na Trinitatis

bwv 163 nur jedem das Seine

bwv 52 falsche Welt, dir trau ich nicht


Zondag 12 november 1724. Het Evangelie voor deze zondag komt uit Mattheüs 22:15-22, het gaat daar over de goed doordachte val die de Farizeeërs opzetten voor Jezus waaruit hij vervolgens ongedeerd tevoorschijn komt dankzij Zijn oordeelkundig antwoord;


“Geef Ceasar wat van Ceasar is, en God wat Godes is”


Vanaf de eerste noten in een stralend E groot weet de gemeente in de st. Thomaskerk dat dit een vreugdevol werk zal zijn. De sopranen zingen de melodie van de welbekende hymne omgeven door een kleurrijke melange van instrumenten en stemmen waarbij alle thema’s ontleent zijn aan die hymne. Is dat niet wat we in hedendaagse muziek omschrijven als ‘gesampled’? Jawel, zo noemen we dat nu.


In de aria' Gott ist mein Freund' is vooral de vocale lijn van het recitativische middendeel interressant, waar het gaat over haat, angst en spot als contrast met de gebruikelijke, op vertrouwen gebaseerde christelijke sereniteit. Het woeden van de vijanden geeft Bach als musicus - en als theoloog - de mogelijkheid om hier een symbolische interpretatie van de tekst te geven. 


In de tweede aria (4) wordt een opvallend effekt bereikt met gepuncteerde figuren (Schlägt) in het orkest en het declamerend zingen van de bas dat plotseling wordt onderbroken door een vivace bij de woorden 'doch plötzlich erscheinet die helfende Hand' wat een karikaturaal beeld zou kunnen oproepen van een deus ex machina, neerdalend vanuit het dak van de st. Thomaskerk. 


Ook de woorden van Jezus ‘Ik geef God wat Godes is’ wil Bach met enig effect aan ons presenteren. Nee, het gaat daar zeker niet om munten, wat we hier aan God geven komt uit het diepste van onze ziel; het besef dat de grootse vijand in mij is en dat ik het ben die verlost moet worden en gereinigd van de schuld der zonde. Om er zeker van te zijn dat deze boodschap wordt gehoord geeft Bach deze tekst als een recitatief - met een helderheid als van kristal - aan de sopraan.


Van cantate 139 zijn slechts de individuele partijen overgeleverd, maar die zijn niet geheel compleet. Bach experts zijn ervan overtuigd dat er, met name in de aria's nr. 2 en 4, twee soloinstrumenten zijn bedoeld. Er zijn verschillende pogingen gedaan om ze te reconstrueren. Rilling overtuigd in deze muziek het meest. Een prachtige opening horen we daar met de daaropvolgende dramatische tenoraria 'Gott ist mein Freund'. Die kan op felle, welhaast verbeten wijze gezongen worden maar het kan ook veel meer terughoudend zoals bij Gardiner. Er is voor allebei wat te zeggen. Eigenlijk hebben alle uitvoeringen van deze cantate wel iets moois. De tenoraria heb ik ook in een versie door Ian Bostridge. Ian geeft meestal ietsje te veel.


Hierna volgt, chronologisch gezien, cantate 26 >>