Monogram Johann Sebastian Bach







voor de vijftiende zondag na Trinitatis

bwv 99 was Gott tut, das ist Wohlgetan

bwv 51 jauchzet Gott in allen Landen





Sommige cantates van Bach bevatten meer duisternis dan licht. Maar het kan ook een diepe, rijke duisternis zijn met bundels van binnenvallend licht, subtiel en tegelijkertijd briljant.

Warum betrübst du dich, mein Herz

Deze cantate is gecomponeerd in 1723, ze hoort dus niet tot de serie van de wekelijkse koraalcantates die Bach in het daaropvolgende jaar gaat componeren, het gaat hier aan vooraf als een op zichzelf staand, experimenteel werk. Het is alsof hij hier vast broedt op het idee van zijn omvangrijke project; zijn serie koraalcantates. 

De tekst is gebaseerd op een hymne van maar liefst veertien coupletten, toegeschreven aan Hans Sachs; het eerste, derde en zevende couplet worden door Bach gebruikt, aangevuld met hieraan gerelateerde passages uit de Bijbel. Zo’n hymne is voor de kerkganger bekend terrein. Zoals in de Matthäus Passion wordt ook hier met het gebruik van een hymne uitgedrukt dat deze de gedachten en gevoelens van de gelovige, van de kerkganger, van ons dus, verwoordt. Maar niet van alle gelovigen. Gevoelens van twijfel en vrees zijn op retorische wijze ingelast met behulp van recitatieven en tussenwerpsels van de solisten. Tot op het moment dat de tenor met zijn recitatief de grotere kracht van het vertrouwen op God aan ons voorlegt. Dat is het cesuur in de cantate waarna het karakter zich radicaal wijzigt.

Warum betrübst du dich, mein Herz

In het openingsritornello van het orkest wordt het ’betrübst’ al geïllustreerd met schurende harmonieën. De hobo’s horen we hier doorheen komen met het, althans voor de kerkganger van 1723, bekende koraal. Daarna zingt de tenor de tekst, de eerste regel van het koraal in een half arioso-, half recitatief-achtige zin die hierna volledig herhaalt wordt door het gehele koor. Daarbij horen we wat genoemd wordt een lamento-bas, een chromatisch dalende baspartij die in de muziekgeschiedenis steeds de mooiste treurmuziek heeft opgeleverd (Dido’s klacht bijvoorbeeld van Henri Purcell is daar een voorbeeld van).

We hebben tot op dit moment slechts één regel van het eerste couplet van het koraal gehoord. Maar dan is daar - vrij plotseling - het altrecitatief (’Ach, ich bin arm) wat in feite ons lied, het lied van de kerkelijke gemeente, beëindigt. De alt, als individuele, ontredderde gelovige doet hier nu juist wat het koraal haar ontraadt: ze beklaagt zich over haar zorgen, over de boze wereld en over haar ellendige omgeving. Maar nu keert het koraal (dat zijn wij weer) terug en bezweert haar op God te vertrouwen. 

Een recitatief van de bas volgt (2) en deze sluit zich bij de alt aan: hem worden in plaats van de wijn die hij verwacht heeft slechts bittere tranen geserveerd’ waarna opnieuw een onderbreking volgt (3) door de kerkelijke gemeente, deze keer zijn het de eerste drie regels van de tweede strofe van het koraal, gescheiden door korte tussenspelen. Overtuigend? Blijkbaar niet want treedt daar de sopraan naar voren met een prachtige tekst: 

God zorgt voor het vee, zorgt dat de vogels hun voedsel vinden, maar ik heb niemand die voor mij zorgt.

Maar wij, kerkelijke gemeente, nemen het weer over en het lijkt erop dat wij de impact van die koraalzinnen verder willen verhogen door de melodie te voorzien van een motet: tenoren, bassen en alten imiteren elkaar met een motief dat van de koraalmelodie is afgeleid. Dan keert de alt weer terug, en zij wordt beantwoord met weer een andere versie van de laatste twee koraalregels.

Het tenor-recitatief (4) leidt rechtstreeks naar de nu volgende eveneens zeer zelfverzekerd klinkende basaria (5). Voor het slot keert Bach terug naar het koraal maar niet, zoals hij dat later zal gaan doen, in de vorm van een eenvoudige vierstemmige zetting, zo typerend voor zijn koraalcantates. Hier vormt het koraal juist één geheel met dat expansieve ritornello dat later juist zo karakteristiek zal worden voor de openingsdelen.  

 

De structuur van deze cantate is nogal aan kritiek onderhevig geweest. Philipp Spitta (1881) vond het onbegrijpelijk dat twee koraalgedeelten op verschillende manieren behandeld elkaar opvolgen, waarop Albert Schweitzer (1911) meent dat Bach zich aan ‘t werk zet zonder enig duidelijk plan. Gardiner (2000)  neemt het op voor deze cantate en noemt dit een hoogst origineel werk, tegelijkertijd archaïsch (de motet-stijl) als juist zeer modern daar waar Bach experimenteert met wat er allemaal mogelijk is op basis van koraalteksten en -melodieën. De cantate heeft dan ook een ongebruikelijke structuur en bevat slechts één aria. 

In het licht van het commentaar van al deze grootheden vind ik mij eigen oordeel, jaren geleden al genoteerd in een schriftje, toch wel de moeite waard om hier letterlijk te citeren. Want wat schreef ik, zo rond 1990 te Breda? 

Een pretentieus, bijna ééndelig 'Gesamtkunstwerk' wat me om die reden wat minder bevalt. Wel erg vernieuwend, lijkt mij zo. Maar niets voor in de kerk. Alleen de wat rommelige sound bij het slot blijft in je oren hangen. Bij Rilling klaart de lucht wat op na het tenor-recitatief. Het slotkoraal lijkt hier op als een openingskoor opgetuigd werkstuk, compleet met een inleiding en begeleidende orkestfiguren. Maar ook hier laat het geheel geen diepe indruk na. De versie door het Collegium Vocale is de meest sfeervolle, heel intens gezongen en zelfs hier en daar een beetje swingend. Eigenlijk wel mooi.

Hmmm. Dit schreef ik dus 24 jaar geleden. Ik ben het daar eigenlijk nog wel mee eens. En als ik de cantate nu hoor doet het ook wel wat denken aan een toneeluitvoering, de eindexamenklas op de middelbare school waarbij talentvolle leerlingen beurtelings naar voren mogen komen. Een drama met wijze levenslessen wordt gepresenteerd, trotse ouders in de zaal. Iets in die geest.


 

 

 




de volgende cantate is BWV 95 >>  de cantates de cantates de cantates de cant