Monogram Johann Sebastian Bach




  hier nog wat andere cantates voor de achtste zondag na Trinitatis

bwv 45 es ist dir gesagt, Mensch, was gut ist

bwv 178 wo Gott der Herr nicht bei uns hält







Vele cantates die Johann Sebastian Bach in zijn eerste jaar in Leipzig componeert en uitvoert, beginnen met een woord uit de Bijbel. In cantate 136 is dat een psalmvers dat hij (of zijn tekstdichter) geschikt acht bij de Evangelielezing voor deze dag. Die lezing handelt over de bergrede, beroemde woorden van Jezus die hier waarschuwt voor valse profeten met het welhaast spreekwoordelijke

‘Aan de vruchten zal men ze herkennen’ 

Met zo'n tekst kun je goed uit de voeten, zou je denken. Maar het resulteert, als zo vaak bij Bach's tekstschrijvers, in een theologisch werkelijk onnavolgbare gedachtengang met tal van citaten, afkomstig uit zowel het Evangelie als uit het Oude Testament. Met name is de auteur geïnteresseerd in het verband tussen de uit de dood teruggekeerde Jezus en de zonde van Adam. Neemt U dit alles eens grondig door en concludeer vervolgens dat Bach ook dit keer buitengewoon kritiekloos is t.a.v. aan hem geleverde teksten. En toch, Bach wordt hoe dan ook sterk geïnspireerd door soms zeer inferieure teksten. Het leidt bij hem altijd tot superieure muziek, passend bij de boodschap.


Maar bij cantate 136 is er iets wat enigszins te denken geeft. Neem bijvoorbeeld die zeer uitgebreide koraalfuga aan het begin. In een stralende toonsoort van A majeur is deze niet alleen zeer feestelijk - luister naar de hoorns die het hoofdthema aankondigen - maar ook idyllisch met die prachtig wiegende zestienden in een 12/8 maat. Mooi is het zeker. Maar wat heeft het van doen met de boetedoening waar het over gaat in dat psalmvers (139) waar God gevraagd wordt mij, zondaar, te zoeken, mijn hart te peilen, mijn gedachten te doorgronden? Er klinkt een vurig pleidooi in de tekst om mij te beproeven (Prufe mich’) en toch; er is blijkbaar geen enkele aanleiding om die zachte bewegingen in deze muziek te verstoren, geenszins. De tekst spreekt over het Opperwezen dat de zondaar beproeft, de muziek verbeeldt een God vol van genade, sterk begaan met de individuele mens.

De vraag is; heeft Bach eigenlijk wel nieuwe muziek geschreven voor deze zondag, of heeft hij wellicht een oudere, misschien zelfs een wereldse cantate herschreven? John Eliott Gardiner werpt de vraag op en ook Andreas Bomba doet deze veronderstelling. De originele manuscripten geven hier blijkbaar geen duidelijkheid over. Zeker is wel dat het middelste deel van de alt-aria (3) en het finale koraal kunnen worden bestempeld als nieuwe composities. Maar voor het overige staat niets vast. Wat de cantate-luisteraar zou kunnen missen is een directe en indirecte uitdrukking van de boodschap in de muziek.


De opening is een moderne, concertante fuga waarin het met een hoorn en oboi d’amore versterkte orkest zelfstandige, versierende thema's speelt als omlijsting  van de koorfuga zonder zelf aan die fuga deel te nemen. Wel horen we in het begin in de hoorn het fuga-thema, maar pas nadat de sopranen dit thema hebben gezongen ('Erforsche mich, Gott, und erfahre mein Herz’) begint de opbouw van de fuga. Hierna volgt een intermezzo en we horen vervolgens sopranen, alten en tenoren zeer nadrukkelijk naar voren komen met de woorden;

‘Prufe mich’

Tegelijkertijd zingen de bassen tweemaal het thema om vervolgens een tweede fuga-expositie te beginnen die ook nu weer wordt afgerond met ‘Prufe mich’. Het tenor-recitatief wat hierna volgt (2) begint met een verminderd akkoord, mogelijk is dat bedoeld als een voorbode van het ‘unerträglich sein’ waarmee het zo dadelijk zal eindigen. In aria 3 kondigen alt en hobo (beiden volgen overigens een heel eigen weg) de Dag des Toorns aan, de Dies Irae, de vreeswekkende dag waarop het Laatste Oordeel zal plaats vinden. Opvallend is dat de gebruikelijke huiveringwekkende schilderingen achterwege blijven, de sfeer lijkt eerder ontspannen te zijn. We kunnen wel stellen dat de tekst ongewoon neutraal behandeld wordt. Pas bij het  middendeel van deze aria wordt de dramatische impact enigszins verhoogd als de alt daar (zonder hobo) Gods wrekende toorn in het vooruitzicht stelt. Hierna is er een wending in deze cantate als in het bas-recitatief troost geboden wordt aan de gelovigen. En vervolgens is het  duet voor bas en tenor is zeer opgewekt van toon met voortdurend terugkerende dalende loopjes van de violen. In het slotkoraal laat Bach de onderliggende baspartij over een hele octaaf op en neer gaan tot aan de woorden ‘die ganze Welt’.


Over cantate 136 zegt Aryeh Oron op zijn website:

"I have to admit that although it is hard for me to accept it, that this is not a very inspired cantata in musical terms. The main cause for the lack of inspiration seems to be the text, which was written for educational purposes. There is very little in the text to inspire anybody to write high level music, even if his name is Johann Sebastian Bach."

En pioneer Whittaker zegt in zijn standaardwerk 'The Cantatas of Johann Sebastian Bach':

"The tender prayer 'Search me, O God, and know my heart, try me, and knows my thoughts' Psalm cxxxix. 23, is not akin to the confident chorus which opens 'Erforsche mich, Gott, und erfahre mein Herz'. Another text must have been the first cause of this number. Nor is the music particularly interesting in this guise; there are fine moments, without doubt, it is difficult to imagine Bach without them, but in spite of the splendid and animated counterpoint it fails to grip".

 

 

 

 

 



        hierna volgt cantate 105 >>  de cantates de cantates de cantates de ca