eveneens voor de derde zondag na Trinitatis

bwv 21 ich hatte viel Bekümmernis

 


Een koraalcantate. Dat is in het geheel geen verrassing voor wie dit traject via de chronologie volgt. We zijn immers beland in het tijdperk 1724-1725, het jaar van de koraalcantates. Deze cantate is de laatste uit een reeks van vier (20, 2, 7, 135) waarin Bach veelvuldig experimenteert. Eerst begint hij zijn cantate (het openingskoor) in de stijl van een franse ouverture (BWV 20), vervolgens in motetstijl (BWV 2), dan behandelt hij het als ware het een (viool-)concert (BWV 7) en dit keer is het openingskoor een koraalfantasie, een breed uitgewerkt stuk. Ook met de leidende zangpartij, de cantus firmus, experimenteert hij volop. Deze gaat eerst (bij 20) naar de sopranen, vervolgens geeft hij die aan de alten, dan aan de tenoren en dit keer is het de beurt aan de bassen. Aangezien de bassen in het koor vrijwel altijd samengaan met een basso continuo in het orkest brengt dat onvermijdelijk een zeer breed en zeer zwaar timbre met zich mee. Wellicht daarom doet Bach iets wat zeer ongewoon is; hij laat als groot contrast met die donkere klanken het continuo in de prelude en in de intermezzi geheel achterwege en ter vervanging spelen de hoge strijkers daar unisono een z.g. bassetchen, een surrogaat baspartij, een schijnbaar aan de aarde ontstegen fundament zoals we dat kennen van de ‘Aus-Liebe’ aria uit de Matthäus-Passion. Zo’n bassetchen staat meestal voor zuiverheid, naïviteit, onschuld maar hier gaat het eerder om ontworteld zijn. Het geeft de muziek een wat ijle sfeer met daarin een onzeker voortgaan van de gelovige. 

De climax van het nu volgende recitatief dat vol zit met tonale symboliek bij ‘schnellen’ en ‘Wange abwahrst rollen’ is toch vooral het woord ‘Schrecken’ met een ontzagwekkende rust midden in dat woord.

In de hierop volgende klaagzang (de tenor-aria) horen we twee hobo’s die in een mild bewegende driekwartsmaat een opwaarts stijgende melodie spelen. Een scherp contrast vormt dat met de vocale partij, die bevat een aantal ongewone neerwaartse sprongen (‘versinken im Tod’) die pas in het tweede deel worden vervangen door meer harmonieuze klanken. 

Na een simpel secco recitatief komt er een einde aan de klagelijke sfeer met een heroïsche (en ook wat bozige) bas-aria met zeer gepassioneerde strijkers waarin we de naar alle kanten vluchtende vijanden kunnen horen. Na de duisternis is daar dan het schijnen van ‘die Freudensonne’ die staat voor de troost van Jezus. 

‘Herzlich tut mich verlangen’

Een simpel koraal met soepele middenstemmen en met een cantus firmus - dezelfde die we eerst bij de bassen hoorden -nu gezongen door de sopranen. Het is, dat mogen we aannemen, levenslang een favoriet koraal van Bach geweest. Hij gebruikt het veel.


Maarten ‘t Hart noemt in zijn beschouwingen met name het openingskoor van deze cantate; stemmig, somber, strak, plechtig. Whittaker spreekt van een 'supremely beautiful chorus'. De cantate als geheel komt bij mij niet op het favorietenlijstje te staan. Richter brengt uiteindelijk de meest wenselijke uitvoering dankzij de solistische bijdragen van Peter Schreier, Dietrich Fischer-Dieskau. 



 

 





  ga verder naar cantate 10 >>  de cantates de cantates de cantates de ca