ook voor de 3e kerstdag  bwv 151 süßer Trost, mein Jesus kömmt

bwv 64 sehet welch ein Liebe hat uns der vater erzeiget



De enige (althans bij mij bekende) cantate die het ooit tot het kleinkunstpodium heeft gebracht. Hans Dorrestein citeert de titel in een lied, een duet wat zich verder in een bordeel afspeelt. Een van de gasten aldaar bezigt al doende de uitspraak; ‘Ich freue mich in dir’.

Het is desalniettemin een koraalcantate geschreven voor het feest van st. Johannes de evangelist, bedoeld voor de 27ste december 1724.  Derde kerstdag is dat dus maar met geen enkele referentie daaraan. Het koor wordt in deze cantate met heel veel zachtheid tegemoet getreden wat wellicht verband houdt met de grote eisen die aan het koor van St. Thomas gesteld worden in deze kersttijd, en met het zingen van carols in de open lucht wat aan de kerkdienst vooraf gaat. Dus Bach beperkt hun inbreng tot een recht-toe-recht-aan-harmonisatie van het koraal die maar heel even uitloopt op een simpele polyfonie. Met weinig, dan wel geen repetitie kan hij zo volledig vertrouwen op zijn strijkers, die moeten dan ook de spirit geven aan die uitgebreide concertante vreugdedans die hem voor ogen staat. En de solisten, die krijgen natuurlijk ook een groot aandeel. Zachtaardige stukken zijn het, die een troostrijke cantate creëeren ter ere van Jezus die nu weer eens betiteld wordt als ‘mein liebes Jesulein’ en dan weer als ‘der allerhöchste Gott’. 

De ‘süsser Ton’ waarvan sprake is in het openingskoor wordt gesuggereerd door het in orkest de klank van belletjes te verbeelden. Al in de eerste maten horen we dat en steeds opnieuw blijven deze een rol spelen. Ook bijzonder; de beide oboe d’amore verdubbelen hier de tweede violen en de altviolen waardoor de eerste violen vrij zijn voor een glansrol, hoog verheven boven de rest (de middenstemmen). Eigenlijk krijgen ze daarmee een virtuoze, welhaast solistische partij toebedeeld. Die simpelheid van de koraalpartijen eindigt even in de zesde frase ‘Ach, wie ein süsser Ton!’ Om extra aandacht vestigen op de ‘grosse Gottessohn’ houdt het koor plotseling in met jachtige, echoënde zestienden.

Iets van die energie en die brille van het openingskoor wordt voortgezet in het vervolg, een alt-aria waarbij de hobo’s in een triomfantelijke, drievoudige fanfare naar voren treden bij het woord ‘Getrost’ wat er op duidt dat Bach deze tekst opvat als een zeer dringende oproep.

Het recitatief van de tenor gaat 2 x over in een arioso refererend aan het koraal en wil ons met toenemende intensiteit overtuigen van de heerlijkheid om God te mogen aanschouwen, face to face.

De da-capo aria van de sopraan (4) vormt het hart van deze cantate. Het sleutel idee van de opening ‘süsser Ton’ wordt nu geopenbaard. Het is de aankondiging ‘Mijn Jezus is geboren’ waaraan Bach een melodische frase toewijst die zo afkomstig zou kunnen zijn uit een koraal of uit een volkslied. Ook hier weer virtuoze uithalen van de eerste violen, die bij ‘Wie lieblich klingt es in den Ohren’ rinkelende belletjes imiteren met hun 'bariolage‘-techniek: een toon snel herhalen, afwisselend op een losse en een bevingerde snaar. Anders klinkende bellen zijn er in de meer pastoraal klinkende B-sectie, boven die lyrische meditatie van solo viool en sopraan over de naam Jezus horen we unisono tweede violen en altviolen. En natuurlijk - we zijn immers nog altijd bij Bach - wordt dit alles wel wat verstoord met een chromatiek die refereert aan het ‘stenen hart’ dat weigert dit alles te erkennen.

 

Het openings deel van deze cantate is mooi: een mengeling van de hymne met weer zo'n heerlijke, totaal onafhankelijke orkestpartij. Maar verder heb ik gemengde, dan wel geen gevoelens over dit werk. Zelfs over de Gardiner-versie ben ik in de diverse notitieboekjes niet eensluidend; countertenor Derek Lee Ragin vind ik beurtelings ‘lelijk’ en ‘wel meevallen’. Katharine Fuge is natuurlijk een fenomeen. Hoe is zij in vergelijking met het jongetje wat we bij Leonhardt horen? Uiteindelijk is mijn conclusie dit alles niet zo bijzonder is; een routinematig geheel wat nog het meest tot zijn recht komt bij de tamelijk frisse stemmen van het Leonhardt-Consort.

 

 

 




 >> de volgende cantate is Das Neugeborne Kindelein BWV 122