Monogram Johann Sebastian Bach











Deze cantate is door Bach zelf gedateerd op 1715. Een klein bezette cantate is het, bedoeld voor de vierde adventszondag, de zondag voor de kerst dus. Tekstdichter Salomo Franck zet de woorden van Johannes de Doper (Jezus' wegbereider) centraal. We kunnen opnieuw horen dat Bach in deze periode sterk beïnvloed wordt door de stijl van de Italiaanse cantate. Deze is - net als BWV 132 - altijd opgebouwd uit twee recitatieven en drie aria’s.

Ook hier een breed uitgesponnen openingsaria in plaats van - wat later gebruikelijk wordt - een  openingskoor. Van het slotkoraal is - net als bij BWV 163 - alleen de tekst bewaard gebleven. Hoogstwaarschijnlijk is dit koraal, omdat het koor verder geen rol speelt in de cantate op losse vellen uitgeschreven die verloren zijn gegaan. De tekst uit Franck’s collectie met hymne’s blijkt identiek te zijn aan het slotkoraal uit cantate BWV 164 en daarom wordt deze vaak gebruikt om BWV 132 mee af te sluiten.

De openingsaria is gebaseerd op teksten opgetekend uit de mond van Johannes de Doper die hier de komst van Jezus aankondigt. Het is alles zeer virtuoos en juichend van toon en het mondt uit in de roep 'Messias kömmt an!' Als je die coloraturen in deze sopraan-aria beluistert vraag je je wel af hoe dat jongetje bij Leonhardt dit ooit moet klaarspelen. Maar luister; het gaat wonderbaarlijk goed en het is mooi. En dit alles is niet alleen een uitdaging voor de zangsolist maar ook voor de partner in dit duet, die partner is in dit geval de hobo. 

Hierna volgt een uitgebreid recitatief van de tenor, een ongewoon mooi stuk is het. Als Bach de teksten van Franck op muziek zet oordeelt hij werkelijk perfect over precies die momenten wanneer hij van secco recitatief naar arioso moet overgaan en weer terug - hij benadrukt zo de expressieve kracht van ‘der Christen Kron und Ehre’ en het terugduwen van ‘die schweren Sündensteine’. Tenor en continuo lijken hier symbolisch aan elkaar geketend in een imiterende uitwisseling tot ze, al is het voor een kort moment, samenkomen bij de tekst 'dass er mit dir im Glauben sich vereine'.

In 'Wer bist du?' horen we prominent een obligate cello, die niet alleen de partij van de bas-solist doorkruist maar ook die van de andere continuo-instrumenten. Het is niet speciaal welluidend, deze uitbarstingen van lage tonen clusters, eigenlijk helemaal niet, maar de aandacht wordt er wel mee vastgehouden en Bach lijkt vast besloten om werkelijk alles van deze tekst uit te drukken in zijn muziek. 'Wer bist du?' In deze aria wordt die indringende vraag van de priesters niet alleen aan Johannes de Doper maar aan de hele christenheid gesteld.

Na een uitgebreid recitatief waarbij de strijkers te hulp snellen om de gevoelvolle gebaren van de alt nog eens te onderstrepen volgt een meditatieve aria waarin de alt vergezeld wordt van een virtuoze soloviool. In die begeleidingsfiguren is duidelijk het reinigende effect van het doopwater te herkennen. En hier zou Bach’s werk kunnen eindigen, tenzij hij besloten heeft om een slotkoraal uit een ander werk in te lassen. We weten het niet.


Bij deze cantate - met name bij de bas-aria - kan de vraag gesteld worden of deze muziek eigenlijk wel mooi is, of ze bedoeld is om mooi te zijn. In zijn boek ‘The Oxford History of Western Music’ stelt Richard Taruskin die vraag aan de orde. Lelijkheid in de muziek, dat komt niet snel ter sprake. Lelijke muziek als een bewuste manier om de treurigheid van het aardse tranendal te presenteren. Toch zijn we nu – volgens Taruskin ten onrechte – geneigd elke noot van Bach ‘mooi’ te vinden. Maar Taruskin wil in zijn boek voelbaar (en hoorbaar) maken hoe vreemd dat protestantse fundamentalisme van Bach voor ons, kinderen van de Verlichting, eigenlijk is. 


Bron; Gerhard Schuhmacher (1983)

 


 


 

Secco recitatief/ arioso recitatief - Met recitatief wordt bedoeld de manier van 'sprekend zingen' waarbij de tekst het belangrijkste is en de muziek daaraan ondergeschikt is gemaakt. Als een recitatief alleen met ondersteunende akkoorden wordt begeleid, b.v. op het klavecimbel, dan heet het 'recitativo secco' (droog). Wordt het begeleid door meerdere instrumenten en op een meer melodische manier dan heet het 'recitativo accompagnato'. Maar wat is de oorsprong van die bijzondere manier van componeren met recitatieven? In het Italië van de zestiende eeuw zijn er hoogdravende intellectuele discussies over de kern van het Griekse theater. Een Florentijnse leermeester ontdekt dat alle teksten van de Griekse tragedie worden gezongen, niet voorgedragen. Die zang is natuurlijk nog niet meerstemmig maar eenstemmig zoals het Gregoriaans. In die groep intellectuelen, bekend geworden als de Camerata dei Bardi, heeft de vader van de beroemde sterrenkundige Galilei het hoogste woord. Hij bepaalt dat poëzie te ingewikkeld is voor meerstemmigheid. Zo worden de eerste oratoria en opera’s behoorlijk mono en ze klinken ons tamelijk saai in de oren. De componisten Caccini en Cavalieri bijvoorbeeld voelen zich behoorlijk beperkt door het dogma van Galilei. En dan komt daar Monteverdi. Hoogstwaarschijnlijk schrijft hij met zijn Orfeo uit 1607 het eerste werk wat we nu met opera aanduiden.Hij bedenkt een eenvoudige oplossing voor het ongemakkelijke huwelijk tussen tekst en muziek. Hij kiest ervoor de vertelling onder te brengen in het zogenaamde recitatief en beschouwingen en commentaar te verwerken in prachtige muzikale vormen die de deur openen voor de ontwikkeling van de opera en het oratorium. De vraag is of Bach de vorm van zijn Matthäus Passion maar ook die van zijn cantates gevonden zou hebben zonder Monteverdi. 

 

 

 







 




 dan nu verder naar cantate 155 >>  de cantates de cantates de cantates de