Kijk,' zei zijn moeder. Ze stond voor het gasstel en wees achter zich op het aanrecht. 'Bedoel je die fles?' vroeg hij. Er stond een fles met donkerrode vloeistof. Op de hals zat een oranje capsule. Hij trad naderbij. 'Wat is dat?' vroeg hij. 'Ik heb een fles wijn gekocht voor vanavond,' antwoordde ze, een aantal oliebollen uit de braadpan wippend. 'Dat is prachtig,' zei Frits. Hij nam de fles bij de hals op. Er zat een blauw etiket op met een gele rand. 'Bessen-appel,' las hij zacht. 'Bessen-appel,' zei hij bij zichzelf, 'bessen-appel. Help ons, eeuwige, onze God. Zie onze nood. Uit de diepten roepen wij tot u. Verschrikkelijk.'

 

(uit ‘de Avonden’, Gerard Reve)

 

 

 


Frits van Egters is niet alleen als hij vanuit de diepten tot ons roept. En velen gaan hem voor. Luther natuurlijk, maar eerder is daar nog de dichter die ons de 130ste psalm schenkt. En dan is daar Bach die deze tekst kiest voor een van zijn eerste cantates. Velen gaan er van uit dat BWV 131 zijn allereerste cantate moet zijn maar er is veel onzekerheid op dat gebied. Ik heb zelf - in mijn oneindige wijsheid - besloten dat 150 de eerste is en bij mij is 131 nummer 2.

'Aus der tiefen rufe ich, Herr, zu dir' heeft, dat mag duidelijk zijn, niets van doen met moeders die verkeerde wijn aanschaffen. De cantate wordt geschreven voor een ‘boetedienst’ na de grote brand die Mühlhausen teistert op 30 mei 1707, vlak voor Bach daar aantreed als organist in de Blasiuskirche. 360 huizen in de benedenstad gaan bij de brand verloren. Bach is 22, hij staat aan het begin van zijn carrierre en het duurt nog lang voordat (vanaf 1723) zijn massale cantateproduktie in Leipzig op gang zal komen. Hij heeft zich de afgelopen vier jaar in de luwte van een rustig organistenbaantje in Arnstadt kunnen ontwikkelen als orgelvirtuoos, als componist en orgeldeskundige. Anderhalf jaar geleden bezocht hij zijn idool Buxtehude in Lübeck. Voor Bach is zijn verblijf in Mühlhausen slechts een korte tussenstop. We mogen er van uit gaan dat hij andere ambities heeft. Op 17 oktober zal hij trouwen met zijn achternichtje, de zangeres Maria Barbara, en binnen het jaar vertrekt hij naar Weimar waar hij negen jaar zal blijven, eerst als organist, kamermusicus en later zal hij bevorderd worden (in 1714) tot kapelmeester aan het hof. 

 

Voor wie enigszins bekend is met Bach’s werk valt direct op dat wat we hier horen sterk afwijkt van zijn latere werk. Geen recitatieven in deze cantate, niet het gebruikelijke slotkoraal en evenmin da-capo-aria's zoals hij die later zal schrijven naar het voorbeeld van de Italiaanse opera. Anderzijds heeft het koor hier nu juist een veel groter aandeel dan in later werk waar het zijn rol veelal beperkt ziet tot een openingskoor en een slotkoraal. De orchestratie is kamermuziekachtig; een viool en twee altviolen, aangevuld met een hobo. De structuur en het arrangement zijn gedacht vanuit het motet en het gewijde concerto, vormprincipes geheel in de Noord-Duitse traditie van zijn bewonderde voorbeeld Buxtehude. Nee, vernieuwend is het niet wat Bach hier doet, maar tegelijkertijd geeft hij er een onovertroffen inhoud aan. In deze cantate gaan de delen nog, zoals bij 17e eeuwse motetten, (vrijwel) ononderbroken in elkaar over en er vindt een levendige, soms zelfs grillige wisselwerking plaats tussen solisten en koor. De teksten worden ontleend aan de bijbel (Psalm 130) en aan het protestantse kerklied. Er komt dus geen enkele gelegenheids-tekstdichter aan te pas. Dat wordt later wel anders, zoals velen van ons weten en dat komt de kwaliteit niet altijd ten goede. 

 

Wat Bach ertoe brengt om in zijn stijl zo nauw aan te sluiten bij de stilistische ontwikkeling aan het eind van de zeventiende eeuw, waarom hij zich helemaal niet inlaat met eigentijdse tendensen zoals recitatief en da capo-aria, het is niet bekend. Dat hij uit zichzelf besluit om tegen de stroom in te zwemmen is niet zo waarschijnlijk. Het ligt meer voor de hand dat hij tegemoet komt aan de adviezen of verzoeken van zijn werkgevers in Mühlhausen en dat hij zich aanpast aan de muzikale tradities van zijn ambtsvoorgangers. Maar dat maakt het wel fascinerend om het resultaat hiervan te zien; de uitgesproken muzikale kwaliteit van deze cantate is het resultaat van enerzijds een streven naar traditie en symmetrie, anderzijds het conflict tussen het 'niet langer' van het motet en het Geistliches Konzert en het 'nog niet' van de latere cantates waarin hij alsnog de Italianiserende mode zal gaan volgen. Het resultaat is een verrassende afwisseling en vormenrijkdom die deze cantate een frisheid geven die Albert Schweitzer brengt tot zijn uitspraak dat men gaarne honderd latere cantates inruilt voor tien van deze oude.


Dit is een cantate die nogal eens live wordt uitgevoerd. Buitengewoon mooi zingt Fabio Triumpy de tenorpartij in de Westerkerk op 26 mei 2007. En wat betreft de cd-opnames is dit een interressante cantate om te vergelijken; de kenmerken van de verschillende uitvoeringen zijn zeer nadrukkelijk aanwezig. De kamermuziekachtige, door jongensstemmen gedomineerde authentieke opvatting van Harnoncourt is een groot contrast met de meer romantische, grootschalige opvatting van Rilling. En wat resteert er van dit werk als je het door een solistenkwartet laat uitvoeren? Weinig, zo blijkt als je de Taylor-uitvoering beluistert. Zowel de koorpartijen als ook die voor de solisten lijden hieronder. Er is in feite weinig reden om het zo te doen.


 

 

 

 

 

"Uit de diepten heb ik geroepen,' zei hij bij zichzelf, 'maar mijn stem is niet gehoord. Bessen-appel. Nu ga ik op weg naar huis. Eeuwige, enige, onze God, ik ga naar mijn ouders.' Zijn ogen werden vochtig.”

 

 

(uit ‘de Avonden’, Gerard Reve)


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Geistliches Konzert - Aanduiding voor een groot deel van de korte geestelijke muziekstukken uit de 17e eeuw. Meer uitgekristaliseerde vormen zoals de cantate bevinden zich in deze tijd nog in de ontstaansfase. De stilistische wortels van het Geistliches Konzert liggen enerzijds in de monodie, anderzijds in de traditioneel uitgevoerde motetten. Tot de componisten van dit soort werken behoren Heinrich Schütz, Samuel Scheidt en Dietrich Buxtehude.

 

 

 

 

ga hier verder met cantate 106 >>  de cantates de cantates de cantates de cantates