meer cantates voor de 2e zondag na epifanie  bwv 3 Ach Gott, wie manches Herzeleid

bwv 155 mein Gott, wie lang, ach lange



Alfred Dürr over deze cantate: 

"Kamermuziek-achtige opzet; geen groots openingsstuk en het slotkoor is slechts 'tutti'. Eenvoud dus in alle opzichten. De strijkers, meestal de ruggengraat in alle partijen komen slechts in de koraalstukken voor. Het zijn dit keer de 2 fluiten en de oboe di caccia die het werk kleur verlenen. De beide recitatieven zijn krachtig maar de twee aria's vormen het muzikale gewicht. Zij verbeelden het zuchten van de zondaar om zijn verlossing. In de eerste wordt dat bereikt door middel van de afwisseling van de stem met de houtblazerspassages ('smartelijk mooi' noemt Maarten 't Hart deze aria), in de tweede met de 2 blokfluiten unisono en een soloviool die een klagende melodie speelt met zeer ongewone intervallen."

Dürr schrijft verder dat Bach’s compositie op Georg Christian Lehms’ tekst illustreert hoe de fantasie van de barokmusicus speciaal geprikkeld wordt door teksten die handelen over ‘zuchten en pijn’. En dat is zo. Maar toch, het is niet de muziek alleen die hier zo effectvol is. Lees die tekst van Lehms en voel dan een zeer overtuigende, op zichzelf staande kwaliteit; luister vervolgens naar Bach’s muziek die dat transformeert in klanken, alle wijzend naar iets wat daar nog bovenuit stijgt als in een toestand van verhoogd bewustzijn. 

Meine Seufzer, meine Tränen können nicht zu zählen sein
Wenn sich täglich Wehmut findet und der Jammer nicht verschwindet
ach! so muss uns diese Pein schon den Weg zum Tode bahnen

 Neem het openingsdeel, een langzame klaagzang is het in 12/8 maat voor de tenor, voor twee blokfluiten en oboe da caccia met continuo. Laat die hobo weg en de muziek behoudt desondanks haar karakter met dat constante klagen. En toch; wat die daaraan toegevoegde tegenmelodie bereikt met al die decoratieve arabesken in de hobo is het binnendringen in die angstige textuur: er moet blijkbaar iets gebeuren, de pijn van al die dissonanten en de overal aanwezige wanhoop moet verzacht worden. Uiteindelijk treedt dan de hobo op de voorgrond, breidt zijn invloed uit naar de fluiten die, wanneer de stem van de tenor inzet, hun rouwende dialoog staken en unisono verder spelen. 

Mein liebster Gott lässt mich annoch vergebens rufen
und mir in meinem Weinen noch keinen Trost erscheinen.

Aldus de alt. Hierna horen we in het koraal (nr. 3) wat in feite het antwoord vormt op deze smeekbede hoe Bach zeer trefzekere diatonische harmonieën toewijst aan die decoratieve omspelingen door de strijkers die dat simpele, eenstemmig gezongen koraal omlijsten. De altstem wordt hier verdubbeld door de drie blaasinstrumenten uit de openingsaria. En zo geeft Bach een woordloos, maar onmiskenbaar optimistisch antwoord op de vragen en onzekerheden die ook in dit koraal  worden verwoord. 

Ongetwijfeld is het vijfde deel een van de somberste Bach aria’s die er zijn. Hij lijkt hier vastbesloten om de luisteraar met de neus in de volle misere van dit aardse leven te wrijven. Maar ook in deze aria komt toch weer een tegenkracht op in de vorm van een oprijzende toonladder passage. Deze domineert het middelste deel van de aria juist daar waar sprake is van de troost die diegene ten deel valt die naar de hemel opziet. Maar het is slechts een voorspel op wat er nog komen moet; een herhalingsoefening van die eerdere klanken maar nu in de sub-dominant toonsoort. De muziek wordt opnieuw in duisternis ondergedompeld met de onmiskenbare intentie om nieuwe folteringen te verkennen van geest en ziel. Deze aria is zeer veeleisend voor uitvoerenden door zijn exceptionele lengte, door de intensiteit van de expressie. 


Deze cantate vind ik bij eerste kennismaking al zo bijzonder omdat die zeldzaam mooie altversie van 'het koraal' erin zit met daarbij die werkelijk schitterende orkestpartij. De beginnende pianist kent dit stukje uit zijn eerste oefenboekjes. Bij Rilling wordt dit stuk door het koor gezongen, bij Leonhardt en bij Gardiner door de altsolist. Later ga ik de Rilling-versie steeds mooier vinden maar weer wat later vind ik hem toch wel erg snel. En ook die 'droomuitvoering' van het koraal bij Leonhard valt bij nader inzien nogal tegen. Bij Richter valt onmiddelijk op het onmiskenbare stemgeluid van Peter Schreier die de cantate mag openen, prachtig is het. De hier nogal grootschalig uitgevoerde koraalmuziek is weliswaar mooi maar ontroert toch meer in een kamermuziekachtige bezetting. Maar daarna verschijnt Fischer-Dieskau, en dat is natuurlijk weer prachtig. 
Kortom; elke uitvoering biedt weer andere pluspunten dus een eindoordeel blijft moeilijk. Als geheel bevalt Gardiner wellicht nog het best want daar hoeven we niet te kiezen voor koor of solisten. Alles is hier goed.





 




Arabesk - Een arabesk in de muziek is een doorlopende en repeterende muzieklijn, die vooral in de muziek van het Midden-Oosten voorkomt. 

Diatonisch - Onder diatoniek wordt in de muziektheorie verstaan, muziek met hele en halve toonafstanden. Dit in tegenstelling tot de hele-toons-toonladder. Een diatonische toonladder is een toonladder met hele en halve toonsafstanden. Dit diatonisch systeem is voor het eerst toegepast en theoretisch onderbouwd door de oude Grieken.
De oude diatonische toonladders zijn:


ionisch (C D E F G A B C)
dorisch (D E F G A B C D)
phrygisch (E F G A B C D E)
lydisch (F G A B C D E F)
mixolydisch (G A B C D E F G)
aeolisch (A B C D E F G A)
Locrisch (B C D E F G A B)


Uit deze oude diatonische toonladders ontwikkelde zich in de loop van de muziekgeschiedenis het diatonische systeem van majeur- en mineurtoonsoorten. Pas in de 20e eeuw lieten componisten zich inspireren door exotische, niet-Europese toonladders, en ontstond er een niet-diatonische klassieke muziek (Debussy, Stravinsky). 


ates de cantates de cantates de cantates de cantates de cantates de cantates nu 72>>