Monogram Johann Sebastian Bach






  ook voor Trinitatis  bwv 165 O heilges Geist- und Wasserbad


bwv 194 höchsterwünschtes Freudenfest


bwv 176 es ist ein trotzig und verzagt Ding



Een koraalcantate. En dan denken wij al snel aan het koraalcantatejaar 1724/25. Maar het is een koraalcantate van het wat oudere type, dat wil zeggen dat de teksten van alle strofen letterlijk gehandhaafd zijn. Ook bijzonder; er zijn geen recitatieven of da capo aria’s en er is dus geen tekstdichter aan te pas gekomen. Verder is elke strofe verschillend getoonzet en de cantus firmus verhuist nogal eens. We kunnen dus wel stellen dat BWV 129 (net als 128) niet beantwoord aan het ideale model van de koraalcantate dat Bach voor ogen staat en dat hij veertig cantates lang heeft gevolgt. En toch, deze cantate is, zo weten we inmiddels, juist van later datum, namelijk geschreven voor het feest van de Drieëenheid van 1726 of 1727 maar ze werd - ten onrechte - een plek toebedeeld in de jaarcyclus 1724/25.


Een mooi klein werk is het. Alles is in het klein, zelfs de feestelijke opening en het slotkoraal, en je kunt het niet helpen te denken dat Bach, had hij het gewild, wellicht beter iets substantieels zou hebben opgebouwd. Maar het is duidelijk, dat heeft hij niet gewild en we horen dit keer nu eens een ongecompliceerd juichende tekst voorzien van al even ongecompleerde muziek. 


De cantate wordt geopend met trompetten en pauken in een groots geheel. Het hart van de cantate bestaat uit drie aria's op rij, respectievelijk voor de bas, sopraan en alt. Geen van hen is bij uitstek memorabel, maar elk van hen is fijnzinnig bewerkte, elegante muziek. Het meest opmerkelijk wellicht zijn de begeleidingen: alleen continuo in de bas-aria, fluit en viool in de sopraan-aria en hobo d'amore in de alt-aria. En ach, misschien is van die laatste aria toch nog wel iets meer te zeggen. Een zeer ontspannen, pastorale dans is dat waarbij de alt vergezeld wordt door de oboe d'amore, wellicht geïnspireerd door de beelden die de tekst oproept, een tekst die spreekt van 'den alles Lobet, werd in Allen Lüften schwebet’. De obligate hobo domineert deze aria volledig dankzij een 24 maten lange melodie, die ook nog eens in extenso terugkeert als tussen- en naspel; de alt resteert daardoor minder dan de helft van de tijd voor zijn (of haar) lofzang op de goddelijke Drieëenheid. Graag speciale aandacht voor dat moment waarop, wanneer na het lange tussenspel de alt voor het eerst de woorden ‘Gott Vater, Sohn und heil´ge Geist’ zingt de drie stemmen (alt, hobo, continuo) volledig unisono gaan, een drie-eenheid vormen, iets wat volgens de regels van het contrapunt nooit mag gebeuren maar wat hier wel gebeurt en dus moeten wij dit als speciaal effect aanduiden. Al met al is deze aria toch wel het hoogtepunt van deze eenvoudige cantate. Daarna is het slotkoor ongewoon uitbundig voor een Bach cantate, met een uitgebreide orkestrale zetting van het koraal, trompet en pauken opnieuw in een prominente rol.


Jawel, deze cantate is niet onaardig. Een heerlijk tempo, mooie aria's. En van dat slotkoor moet ik ergens een bewerking hebben, maar waar? Later kom ik het tegen bij de ‘Wise Virgins Suite’ van Walton. De uitvoeringen die ik van deze cantate bezit zijn wel zeer uiteenlopend. Zo krachtig en beslist dat begin bij Richter. Nee, hier is geen twijfel mogelijk, mooi. Vervolgens vergelijken met Leonhard levert welhaast een heel ander muziekstuk op. Leusink maakt helemaal geen indruk. De uitvoering door Richter is mooi maar die van Leonhardt ook, zij het heel basaal en zonder enige opsmuk door het authentieke geluid. Maar bij hem komt het slotkoraal daardoor veel harder aan. Qua klank en opnametechniek is die van Rilling de top maar ik kies toch voor het aandoenlijke van zo'n authentieke uitvoering. Paul Witteman noemt de sopraan-aria een van de mooiste door Bach gecomponeerd en hij heeft gelijk.



Bronnen; John Eliot Gardiner/Simon Crouch









cantates de cantates de cantates de cantates cantates de cantates hierna volgt 39 >>